Kaars in de wind

Hoofdstuk 1 – Het dovende vlammetje.

Met snelle stappen liep ze door de straat, om zo vlug mogelijk weer in haar winkel te zijn. Ze leek nergens anders oog voor te hebben, dan voor haar bestemming. Maar niets was minder waar. Ze zag de mensen wel degelijk, en de dieren, de bomen, de huizen. Alles was hetzelfde als een paar weken geleden, maar tegelijkertijd was het zoveel minder mooi. De kinderen speelden door met hun spelletjes, de volwassenen waren nog steeds aan het werk. Maar iedereen voelde de dreiging, en iedereen ontkende het net zo hard. Het was de tijd van onrust en kwaad. De tijd van Zangado, de bestuurder van Overdinkel. Toen ze haar winkel bereikte, deed ze gauw de deur achter zich dicht. Rust. Er maalde zoveel door haar hoofd, ze moest het echt even op een rijtje zetten. Eigenlijk begon het op haar verjaardag, een paar weken geleden, 16 juni 1602, was ze twintig geworden, maar het bracht weinig goeds mee.

Het was de gewoonte om te roddelen. Daarom hield haar familie zo van verjaardagen. ‘Lekker bijkletsen’ noemden ze het. De hele achterkamer zat vol.

“Margaretha! Je ziet er weer prachtig uit! Echt een stralende jarige Jet!” Ze kreeg van haar tante twee vluchtige kussen op haar wang en een pakje in haar hand gedrukt.
“Bedankt.” Maar dat hoorde tante Eva al niet meer, ze was meteen druk in gesprek. Margaretha zuchtte eens en begon wat hapjes voor te bereiden, daarbij was haar eigen kruidenier wel handig. In het achterkamertje vond ze alles wat ze nodig had. Ze legde nog wat peterselie bij de worst en liep met het overvolle dienblad de kamer binnen. Er zaten kleine groepjes bij elkaar, overal waren gesprekken begonnen.

“En die vrouw van Mathijs heeft een kind gekregen, dat arme wicht. Lang heeft ze er niet van kunnen genieten” Vol overgave vertelde een van Margaretha’s tantes het verhaal.

“Hoezo niet tante Martha? Wilt u trouwens iets lekkers?”

“Graag kind, ik ben blij dat je nog een leuke verjaardag kunt hebben. Ze zijn dus nog niet tot hier doorgedrongen.” Nieuwsgierig bleef Margaretha staan, als haar tante dit toontje gebruikte, kwam er een spannend verhaal.

“Och, het is allemaal zo vreselijk.”

Margaretha’s gezicht betrok, net zoals die van de anderen die meeluisterden.

“Hekserij,” fluisterde ze met een koude stem. “Als je niet oppast, verdenken ze je van hekserij. En dan kom je zekers te weten op de brandstapel terecht!”

Margaretha lachte. “Ach, heksen bestaan toch helemaal niet!”

“Dat denk jij, ze zijn allemaal gevlucht. Anders wacht je een vreselijke dood,” zei tante Martha op haar samenzweerderige toon.



Toen was ze nog zo naïef, ze kende geen gevaar. Maar dat was veel te snel omgeslagen, toen de theorie ook Overdinkel bereikte. Ze had haar stad ten onder zien gaan. Ze had de angst het brein van de mensen zien intrekken. Ze had de angst zelf ook gevoeld. En dat werd alsmaar groter en groter. De moorden zouden niet stoppen, en ze zou ook niet wakker worden en merken dat ze alles gedroomd had. Iedere dag weer zag ze de brandstapels staan, hoorde ze het gekrijs van de slachtoffers, en de stilte na afloop.

Die stilte was nog het ergst, weten dat er weer iemand, beschuldigd van hekserij, maar eigenlijk geheel onschuldig, vermoord was.

Ze zat al heel lang tegen de deurpost aan, het was donker buiten. Zelfs de maan en sterren leken uit de hemel verdwenen te zijn. Op de tast vond ze een paar kaarsen en stak die aan. Haar kruidenier werd zwak verlicht. Ze staarde in het dansende vlammetje en dacht weer terug aan die ene keer dat ze toch had gekeken. De tranen stroomden over haar wangen



Zwijgend stond ze tussen het ‘publiek’. Bijna het hele dorp was gekomen, niemand wist waarom ze eigenlijk gingen, het was een vreemde drang, bijna je plicht als dorpsbewoner. De drie ter dood veroordeelde vrouwen werden naar het midden van het plein gebracht, stevig vastgebonden. Er ging een schok door de toeschouwers heen, het middelste meisje was nog niet eens vijftien! Ergens achter Margaretha begon een vrouw te krijsen.

“Nee! Moordenaars! Blijf van mijn dochter af! Laat haar gaan, alsjeblieft. Laar haar toch gaan.” Met een luid gesnik stormde ze op het meisje af en rukte aan de touwen. Een bewaker trok de vrouw ruw naar achter, maar ze schopte en sloeg hem waar ze maar raken kon. Margaretha voelde met deze vrouw mee. Ze was ziedend. Haar nagels drukten in haar vel, ze moest iets doen! Maar alles zou tevergeefs zijn, ze vluchtte naar huis, uit angst voor haar zelf. Bang dat ze ook daadwerkelijk iemand ging vermoorden van kwaadheid. Ze wist wat er ging gebeuren, de vrouw zou ook verbrand worden, alleen omdat ze van haar kind hield. Uit onmacht bonkte ze met haar vuist tegen de muren. En even later werd haar vermoeden bevestigd. Er laaiden nu vier vuren op, in plaats van de geplande drie. Er klonk hartverscheurend gehuil van de familie en bekenden, gejuich van de toeschouwers die het er wel mee eens waren, en het door merg en been gaande gekrijs van de vier vrouwen. Margaretha drukte haar handen tegen haar oren. Ze voelde de pijn en onmacht, de laatste adem die werd uitgeblazen, de hele vreselijke dood. En toen kwam de stilte, de toeschouwers liepen weer gewoon naar huis, de vier vrouwen waren verdwenen. Het leven ging door. Het enige bewijs voor de gruwelijke misdaad waren de vuren. Als vier stille kaarsen in de wind.



Haar hele gezin had er al aan moeten geloven. Haar vader en moeder waren gevlucht, omdat ze altijd de zogenoemde ‘heksen’ hielpen. Op een dag, waren ze zomaar weg. Er had alleen een kort briefje gelegen. Margaretha verbeet haar tranen, ze wilde er niet aan denken, niet nu. Iedereen was weg. Ze had nog een tijdje de kruidenier met haar zus en broer gerund, maar dat had ook niet lang geduurd. Haar zus ging op zoek naar haar ouders, haar broer ging opzoek naar zichzelf. En zo waren zij ook alle twee uit haar leven verdwenen, haar broer heeft nog een paar keer contact gezocht. Hij zat in een of andere geheime organisatie tegen de verbrandingen, zei de boodschapper. Maar er werd zoveel gezegd, er was maar één ding zeker, ze stond er helemaal alleen voor.

In deze tijden moest je voorzichtig te werk gaan. Een verdachte situatie en je was erbij, je was een heks. Margaretha vreesde voor haar kruidenier nadat ze de posters in de stad had gelezen. Als iemand zich niet normaal gedroeg, wratten had, veel met kruiden werkte, geneeskunst bezat, een raar uiterlijk had, of andere onbenullige kenmerken, zou het meteen een heks zijn. En zij stond nou juist bekend als ‘kruidenvrouwtje’. Als kruidenier wist ze er veel vanaf, zo had ze ook de geneeskunst van de kruiden bestudeerd, waarmee ze vaak mensen hielp. Als het bestuur over de verbrandingen daar achter kwam, was ze er geweest. Ze wist dat ze moest vluchten, maar waarheen? Overal in Nederland waren de mensen overtuigd van de bespottelijke hekserij. Ze kon maar één ding doen, het land uit. Naar Duitsland. Daar zou ze even veilig zijn, in ieder geval ontkomen aan de brandstapel, maar ze kende het land niet. Ze kende de taal niet. En ze kende de mensen niet. Snikkend staarde ze in het vlammetje van haar kaars. “Wat moet ik nou doen?” fluisterde ze, maar de kaars antwoordde niet.

Om haar gedachtes op orde te krijgen moest ze echt even naar buiten. Ze pakte de kaars en liep naar een bosje achter het huis. Ze zakte neer op een boomstam. Dit was een plek vol herinneringen. Vrolijke dingen. Hier had ze dikwijls met haar broer en zus gespeeld. Ze wenste dat die zorgeloosheid van toen terugkwam. Dit gebied was altijd haar thuis geweest, ze was er geboren en was er altijd gebleven. Toen vader ziek was en ze arm waren, had ze troost gevonden tussen die bomen, waar ze heerlijk verstoppertje kon spelen. Toen zes jaar werd, hadden ze er de hele dag gefeest. Toen ze een keer niet naar huis durfde omdat haar jurk kapot was, leek het wel of de bomen haar toefluisterden dat het wel goed zou komen. En dat was ook zo, alles kwam altijd goed, tot nu. Haar leven leek haar leven niet meer, alles was omgegooid. Iedereen van wie ze hield was weg. Zelfs het deel van haar zelf, waar ze ooit van had gehouden, was verdwenen. Ze kende geen liefde meer, alleen nog maar haat. Haat voor de vreselijke mensen, die iedere dag weer moorden pleegden, alsof het een spelletje was wat alleen zij konden winnen. En dat was ook al zo, het was een verloren potje schaak, de ene partij werd steeds verder teruggedreven door de andere. Totdat ze zichzelf in een hoek dreven. En er was maar één uitweg; de dood. Maar dat wilde Margaretha niet, ze zou zich nooit zo overgeven. Toen wist ze het zeker. Ze zou naar Duitsland gaan! Met tranen in haar ogen en een verbeten trek rond haar mond stond ze op. “Dag bomen!” fluisterde ze met schorre stem. En met trage passen liep ze naar binnen. Nog een keer keek ze over haar schouder. De kaars bleef eenzaam achter in de wind.

Hoofdstuk 2

Vlug propte ze de paar bezittingen die ze had in een rugzak. Het beetje eten en geld nam nog de minste plaats in. Toen alle brieven er ook inzaten keek ze eens om haar heen. Dit was haar thuis niet meer. Zelfs de kruidenier, de familiewinkel, was verbitterd. Door alle mensen die hier hun gal uitspuwden over de heksenjagers, en de mensen die huilden om de slachtoffers, hing er een kille sfeer. Alles deed haar denken aan de dood. Vroeger klapperden de ramen stilletjes, klonk er om de paar minuten een belletje van de deur die weer openging, werd er gezellig gepraat en gelachen. Maar nu was er alleen nog maar stilte, een doodse stilte. Ze huiverde, de kilte van het kwaad ging bij iedereen door merg en been, daar kon geen enkel vuur met zijn warmte een eind aan maken. Alleen het goede is gelijk aan het kwade, maar dat was ver te zoeken. Een stille traan rolde uit haar ogen en zocht zijn weg naar de vloer, waar hij net zo levenloos als de rest van de wereld leek, uit elkaar spatte. Ze draaide het vrolijke deurbordje, met in de linker bovenhoek het trotse familiewapen, voor de laatste keer om. Gesloten. Misschien wel voor altijd.

Te voet begon ze aan haar eenzame tocht, niet wetend waar die uiteindelijk heen zou leiden. Ze sloop zachtjes door haar bosje, het leek wel alsof de bomen uit laatste eerbied voor haar opzij bogen. Even glimlachte ze, overspoeld door mooie herinneringen uit haar jeugd. Die lach probeerde ze voor altijd vast te houden. Maar toen haar voeten pijn begonnen te doen van het moeizame lopen op te kleine schoenen, hield ze het niet meer vol. Rotleven, waarom hebben ze het in hemelsnaam aan mij gegeven, dacht ze. En overal om haar heen, in de huizen, herbergen, of gewoon in het natte gras, lagen mensen die precies hetzelfde dachten.

Ze stapte flink door, nog niet wetend hoe ze voorbij de stadsmuur moest komen, en hoe het daarna verder zou gaan. En daar doemde hij al voor haar op. In het donker leek hij vreselijk dreigend en Margaretha deed verschrikt een stap achteruit, ze mocht niet gezien worden. Maar er was geen levende ziel te bekennen. Ze liep eenzaam door de schemering verder, op weg naar de poort. Daar aangekomen hoorde ze een drietal stemmen, angstig dook ze achter een boom, je kon niet voorzichtig genoeg zijn. Stiekem bekeek ze het groepje. Er was een vrouw bij, ze zat op een paard dat een gammel houten karretje trok. Waarschijnlijk was het een verkoopster, die van stad naar stad trok. Ondanks haar zigeunerachtige uiterlijk, had ze een sterke uitstraling, dat zag je niet zovaak meer bij een vrouw. Verder waren er nog twee mannen, de achterste kon ze niet goed zien. De voorste zat eveneens op een paard, maar deze was van betere stand. Waarschijnlijk was het een man van adel, toch leek hij onder druk te staan van de achterste persoon die nu ook in beeld kwam. Margaretha schrok. Een soldaat! Ze waren ingezet om de poorten te bewaken en helaas deden ze dat goed. Margaretha probeerde zich zo klein mogelijk te maken achter haar boom. Je kon zien dat het gesprek van de drie mensen niet langer vriendschappelijk was. De twee mannen keken dreigend naar de oude vrouw. Straks moet ik haar nog helpen, dacht Margaretha. Ze hoopte vurig van niet, dan was de kans groot dat ze opgepakt zou worden. De drie praatten nu zo hard dat ze letterlijk te verstaan waren.
“Hekserij, altijd dat gezeur over hekserij. Ik ben een eenzame vrouw die alleen een plekje voor de nacht zoekt. Maak niet nog een keer zo’n grote fout als bij Maria en Jozef!”
De soldaat schrok van de ijzige woorden van de vrouw, hij was hoogstwaarschijnlijk katholiek, zoals de meeste mensen, en wilde dus geen gedonder.
“Rustig maar mevrouw! Er werd niemand beschuldigd hier, u hebt alleen een paar kenmerken. En we moeten altijd controleren. Orders van de baas.”
Bij het woord baas kreeg de soldaat weer wat trots, maar de vrouw bleef net zo ijzig kijken. “Dus u geeft mij een slaapplek, of word ik er weer uitgegooid?” zei ze bits.
Dit keer begon de adellijke man te spreken. “Sorry, dat kan echt niet. Ik sta hoog in de adellijke rang en dat wil ik niet verpesten door iemand als u deze stad in te laten gaan. U zult moeten vertrekken indien u niet op de brandstapel terecht wilt komen.”
De man had in tegenstelling tot de andere twee zo netjes en beleefd gepraat dat het even stil werd.
“Nou, dan ga ik maar,” zei ze stil en ze draaide de kar om.
De soldaat liep weer naar zijn andere wachtpost en de adellijke man reed naast hem weg.
“Zo, en vertel nu maar eens wie jij bent.” De stem van de vrouw galmde door de duisternis. Margaretha hield haar adem in, waarschijnlijk had de zwerfster het tegen iemand anders gehad.
“Ja, jou bedoel ik! Achter die boom daar. Waarom moest je ons zo nodig afluisteren?”
De vrouw probeerde dichter bij de boom te komen, maar het oude paard weigerde. Margaretha besefte dat deze vrouw haar weinig kon doen en kwam uit haar schuilplaats. “Sorry mevrouw, ik was op weg naar,” ze stopte even om naar de vrouw te kijken, was ze wel te vertrouwen?
“Ga door kindje, ik ben waarschijnlijk net zo erg als jij tegen de heksenjacht.”
Opgelucht door deze woorden vervolgde Margaretha haar zin. “Ik ben gevlucht. Ik bedoel, ik moet vluchten, ik word verdacht. Ik ga naar Duitsland, alleen kon ik niet langs de poort” Verlegen keek ze naar de grond, ze leek ook zo dom naast deze vrouw die zomaar een soldaat het zwijgen op had gelegd. “Sorry dat ik helemaal niet geholpen heb mevrouw,” stamelde ze. De vrouw keek haar moederlijk aan, “Maakt niet uit kindje, ik snap je wel. En noem me maar Tiwéle.”
“Bedankt Tiwéle. Ik ben Margaretha.”
“En als je het wilt kan je met mij mee reizen, ik ga tot de driesprong, vanaf daar kan je in je Duitsland komen.” Margaretha kreeg de neiging om Tiwéle om de hals te vliegen, het was een geweldig mens.
“Dolgraag, mevrouw! U bent geweldig.”
Tiwéle begon te lachen. “Ach, je moet toch vrienden hebben in deze moeilijke tijden voor ons, vrouwen.”
Margaretha klom achter in de wagen en merkte toen hoe moe ze eigenlijk was. Ze had dan ook al veel onrustige nachten gehad, waardoor de kar zelfs comfortabel leek. Ze hoorde nog de stem van Tiwéle die plotseling begon te zingen, en viel toen in een diepe slaap.

“We zijn er kindje, kom op, opstaan!”
De stem van Tiwéle rukte haar uit het vredige wolkenveld waaruit haar droom had bestaan. Duf, alsof de wolkjes nog steeds om haar heen vlogen, stond ze op. Het eerste wat ze zag was zonlicht, waarschijnlijk had ze lang geslapen. Toen raakte de harde werkelijkheid haar weer, nergens waren die lieve wolkjes nog te bekennen, ze stond in een grauw bos, waar drie wegen samenkomen, de eerste had ze net afgelegd.
“Hier woont mijn broer,” zei Iele met trillende stem terwijl ze naar een huisje wees.
“Maar je kunt maar beter niet naar binnen gaan, hij heeft het niet zo op mensen.” Margaretha schrok al bij de gedachte aan die man daarbinnen, dus nam ze haastig afscheid.
“Hartstikke bedankt voor alles Tiwéle! Hopelijk zie ik u nog.” Maar die laatste zin klonk niet zo hoopvol als ze bedoeld had, ze waren beiden op de vlucht en zouden elkaar waarschijnlijk nooit meer zien. Toch antwoordde Tiwéle al even hartelijk.
“Graag kindje, je was een fijn gezelschap. Tot ziens!” Margaretha kreeg alweer tranen in haar ogen, de vriend, haar bondgenote, ging haar alweer verlaten, ze was opnieuw alleen. Aan haar lot overgelaten. Ze slikte haar tranen weg en praatte tegen zichzelf. Kom op, stel je niet aan, het leven is nou eenmaal oneerlijk. Ze keek stilletjes omhoog, naar de grote bomen. Ze voelde zich zo klein, een klein kind in de grote boze buitenwereld. De wereld van de vreselijke volwassenen, waar ze nooit toe had willen behoren. Maar nu zat ze er ver in, en het was even vreselijk als ze als kind al gedacht had. Als klein meisje was je nog zorgeloos, maar volwassenen moesten voortdurend keuzes maken, net zoals toen. Langzaam draaide ze een rondje om haar eigen as. Drie wegen. Uit de ene kwam ze net, en van de andere wist ze dat ze naar Duitsland gingen. Het land wat haar redding zou zijn, maar ze moest het eerst zien te bereiken. Links, een goed begaanbare weg, er stond een keurig bordje bij. ‘´t Herenpad’. Daar had ze al over gehoord. Daar gingen haar ouders altijd langs, om in de verdere steden inkopen te doen, of ze gingen gewoon wandelen. Haar blik gleed naar rechts, dat pad zag er enger uit. ‘Zonderpad,’ stond er op het bordje, hier had ze ook al over gehoord. Maar dan in minder positieve zin. Het was het pad van de zwervers, die mochten niet op het nette herenpad komen. En onder de zwervers zaten de meeste gevluchte ‘heksen’ dus ook de meeste heksenjagers. Margaretha huiverde bij de gedachte aan die mensen, die veel onschuldige vrouwen oppakte. Ze zou wel gek zijn om het Zonderpad te nemen! Met snelle stappen liep ze het Herenpad in, vanuit haar ooghoeken bekeek ze het bordje nog eens ‘Zaanderen, 25 kilometer.’ Achteloos liet ze het uit haar blikveld glijden, tot ze zich bedacht dat in Zaanderen pas de eerste herberg te vinden was. Bij de gedachte aan een herberg begon haar maag te knorren, ze had honger. Ze nam een plotseling besluit en plofte neer in het gras. Ze rommelde even in haar rugtas en haalde er toen een stuk brood uit, veel was het niet, maar het was samen met een flacon water het enige aan voedsel dat ze bij zich had. Langzaam kauwde ze op haar brood, terwijl ze steeds meer besefte dat het Zonderpad haar enige keus was, dat liep via Roessen, een plaats in de buurt van de grens. Daar zou ze wel een slaapplek vinden, volgens een paar vrienden was het een aardig dorpje. Op hen vertrouwen is het enige wat ik kan, dacht ze terwijl ze het overgebleven brood weer opbergde en het andere pad in sloeg. ‘Roessen, 6 kilometer.’
Ze voelde zich steeds onrustiger naarmate ze verder het pad inliep, en al die onrust kwam terecht in haar benen. Na hooguit 3 kilometer plofte ze neer in het gras. Ze was bang. Ze was nog geen mens tegengekomen, kwam dat doordat het nog vroeg was, of waren de mensen zo bang dat ze niet eens meer weg durfden te gaan? Angstig vroeg ze zich af wat haar te wachten stond. Die angst trok door haar hele lichaam, ze werd er lusteloos van. Kan ik hier maar gewoon voor altijd blijven zitten en niet steeds hoeven vluchten, dacht ze wanhopig. Maar het kon niet. De wereld draaide door, net zoals de levens waar er steeds meer van verbrand werden. Ze begon weer aan haar tocht, op de vlucht voor iets waar ze niet schuldig aan was. “Was ik maar een heks, dan vervloekte ik iedereen,” siste ze kwaad.

Na weer lang gelopen te hebben bereikte ze een muur, begroeid met klimop. De stadsmuur van Roessen. Blij leunde ze er tegenaan, deze muur bracht haar hopelijk een beetje veiligheid. Daar was ze niet bekend en kon ze zeker een nacht onschuldig blijven slapen. Vastberaden liep ze op de poort af.
“naam!”
“Margaretha,” zei ze, verschrikt door de wachter die opeens vanachter de poort vandaan kwam.
“Wat kom je doen?”
“Overnachten, meneer.”
De poortwachter keek niet alsof hij dat snel zou toelaten.
“Waarom?”
“Ik ben op doorreis naar mijn ouders, meneer.” Margaretha was blij dat ze zo snel smoesjes kon verzinnen. Maar die blijheid verdween snel.
“Niet toegestaan, wij laten geen onbekende vrouwen binnen, alleen als ze werk zoeken.” Margaretha liep snel weg, bang om zo meteen voor heks uitgemaakt te worden. Radeloos zakte ze neer op een steen. Alles was weg. Hier had ze haar hoop op gevestigd, deze stad zou haar redding zijn. Maar wat had je aan redding als je het niet kon bereiken? Niks! Ze was bang voor de dood, maar op dit moment even bang voor het leven. Nu moest ze in het bos overnachten, tussen vieze zwervers. Daaraan denkend begon ze al te rillen. Ze zakte huilend van de steen. Uitgeput door alles wat ze had moeten doorstaan, en waar ze uiteindelijk niks mee bereikt had.
Ze had het gevoel alsof ze al uren lag te huilen, en schrok op toen ze opeens een hand op haar schouder voelde. Ze ramde van schrik met haar elleboog naar achter. Wat had haar broer ook alweer gezegd? Ohja, tussen zijn benen. Ze hief haar been al naar achter, maar werd toen vastgegrepen.
“Rustig! Ik kwam alleen vragen wat je hier deed!” De stem klonk warm.
Margaretha keek omhoog door haar rode ogen en zag een mooie jongen staan. Hij was lief naar haar aan het lachen en ze kreeg gelijk de neiging hetzelfde in zijn richting te doen.
“Sorry, ik ben nogal schrikachtig,” stamelde ze, verrast door de aardige persoon.
“Dat merkte ik,” lachte deze. “Ik ben Thomas, jij?”
“Margaretha,” stamelde ze voor de zoveelste keer. Ze zakte weer terug op haar steen en merkte dat de jongen bij haar bleef staan.
“Waarom zit je hier zo zielig in je eentje?”
Margaretha deed haar hele verhaal, over hoe ze had moeten vluchten en uiteindelijk in Roessen aankwam maar niet naar binnen mocht. Tijdens het verhaal deed ze krampachtig haar best niet in snikken uit te barsten, het was ook zoveel druk opeens.
“Ik kan je wel helpen,” zei Thomas.
“Echt?” Deze vijf woordjes hadden voor Margaretha zo wonderbaarlijk geklonken.
“Hoe dan wel?”
“Ik mag hier komen, ik ben hier bekend, ik kom net met mijn kar uit Zaanderen. En daarin mag jij van mij komen,” zei Thomas met een grote glimlach.
Margaretha lachte weer. Alles kwam goed!

Even later stapte ze de herberg in die volgens haar vrienden zo gezellig zou zijn. De schrik zat nog in haar benen en ze snakte naar een drankje. Onder luid gejuich kwam ze het café binnen, ze keek eens om zich heen. Overal zaten mannen aan het bier, voornamelijk dronken mannen. Geschokt draaide ze zich om om een andere herberg in te gaan.
“Waar ga je heen?” Werd er achter haar aan geroepen. “Komt er eindelijk een lekkere vrouw in ons midden, loopt ze weg!”
Tussen al de smerige uitspraken viel er haar één op. “Meisje, als je een herberg zoek, dit is de enige in de omgeving.” Dus ze bleef staan. Weer moest ze kiezen, naar buiten gaan en dan waarschijnlijk in de openlucht moeten slapen, of tussen deze dronken mannen zitten.
Ze koos voor het laatste, ze moest echt goed slapen wilde ze morgen verdergaan.
“Doe me dan maar een biertje,” zuchtte ze terwijl ze weer begroet werd.
“Zeg, kan je hier ook overnachten?” vroeg ze aan de barman die haar zojuist ook geïnformeerd had.
“Inderdaad mevrouw. En als ik jou was zou ik ver uit de buurt van die types blijven.”
Hij knikte met twee geniepige oogjes richting een hoek achterin, waar de mannen zaten die net naar haar geschreeuwd hadden.
“Bedankt, ” stamelde ze terwijl ze aan de bar ging zitten.
“He vrouwke, kom toch gezellig bij ons zitten,” schreeuwde een van de ‘gevaarlijke’ mannen. Margaretha schoof een stukje opzij en trok haar rok nog verder over haar knieën. Ze voelde zich vreselijk als enige vrouw, het liefst zou ze hard zijn weggerend.
“Hé, jij zocht toch een kamer?” schreeuwde de barman vanaf de andere kant naar haar. Margaretha opende haar mond om dat te bevestigen, maar ze werd ruw onderbroken.
“Ze kan nog wel bij mij op de kamer hoor! Dat kan nog wel gezellig worden,” zei een van de mannen lallend.
“Ja, ik zocht een kamer,” fluisterde Margaretha angstig. Ze pakte snel de sleutel van de barman die haar succes wenste en liep naar de trap.
“He meiske! Jij komt bij mij, als ik iets zeg, meen ik het ook!” schreeuwde de druktemaker en hij greep naar haar rok. Margaretha gilde, trok haar rok los en rende de trap op, weg van de vieze, dronken mannen. Totaal overstuur bereikte ze haar kamer. Het duurde een tijdje voordat haar sleutel goed in het slot zat, zo erg trilden haar handen.
Ze zakte op haar bed en merkte dat de man waarschijnlijk nog een deel van haar rok moest hebben. Maar dat zou ze nooit meer gaan ophalen. Trillend kleedde ze zich uit en stapte in bed. Ze was niet van plan om ooit nog naar beneden te lopen. In dat vreemde bed liet ze haar tranen weer de vrije loop. Alles was zo veranderd. Ze leefde tegenwoordig voortdurend in angst. Ze woelde onrustig heen en weer in haar bed, stond op om een stoel onder de deurkruk te schuiven, en probeerde weer te slapen. Maar de nachtrust waarop ze gehoopt had kwam niet.

Hoofdstuk 3 – Moeizaam brandend in de wind.

De volgende ochtend werd ze door ruw gebonk op haar deur gewekt. Angstig trok Margaretha de dekens over haar hoofd heen, bang voor die man van gisteravond. Trillend zat ze onder het laken, wachtend op wat komen ging.
“Wat moet dat? Ga weg bij die deur!”
Margaretha was weer wat opgeluchter, het was de stem van de barman en het gebonk stopte. Vlug kleedde ze zich aan, net op tijd voor degene die nu –beleefd- aanklopte. Na de stoel te hebben weggeschoven deed ze voorzichtig open, daar stond de barman.
“Meisje, ik weet niet wat er is gebeurd en of jij er überhaupt bij betrokken bent. Maar je kunt maar beter snel weer wegvluchten voor ze echt kwaad worden,” zei hij haastig met een wantrouwige blik naar Margaretha. Deze begon ook bang te worden.
“Wat is er dan aan de hand? Waarom zijn die mannen kwaad?” vroeg ze bang. De barman zuchtte opgelucht. “Ik wist wel dat jij er niets mee te maken had, Tinus, die onbeschofte man van gisteravond, is vannacht vermoord.”
De kille woorden dreunden na in Margaretha’s oren. Vermoord. Moest ze nu opgelucht of verdrietig zijn? Lang zou ze er in ieder geval niet over treuren. En toen besefte ze zich dat dat ook was wat de andere mannen dachten.
“Dus ik ben de verdachte? Denken ze echt dat ik iemand zou vermoorden?” vroeg ze hysterisch. De barman knikte langzaam.
“Helaas, ik had dat volk ook liever niet in mijn herberg, maar het is nou eenmaal zo.” Margaretha begon paniekerig na te denken.
“Ik moet weg, onmiddellijk.” Ze pakte haar spullen in haar rugzak en was klaar om te vertrekken.
“Waar moet ik heen?” vroeg ze haastig.
“Achterdeur,” fluisterde de barman en hij wees haar de richting. Margaretha drukte hem wat geld in de hand en rende weg, naar haar onbekende toekomst.
“Daar gaat ze!” hoorde ze vlak achter haar. Ze rende zoals ze nog nooit gerend had, als een vogel in de wind. Met de mannen als gevaarlijke roofdieren achter haar aan.
En ze bleef maar rennen.


Boom. Kerk. Huis. Kerkhof. Brandstapel. En nog een. En nog een. Alles schoot aan haar voorbij. Terwijl de dood haar nog steeds op de hielen zat. Letterlijk. De mannen liepen hatelijke dingen schreeuwend achter haar aan. Ze bleef stomweg rennen, ze zag niks meer, niet eens een doel voor haar ogen. Dat had ze ook niet, haar enige doel was wegrennen. Weg van deze gruwelijke plaats. Na een tijdje hoorde ze het geschreeuw van de mannen niet meer, het gebonk van haar hart overstemde al het verdere geluid. En toch rende ze door, op de vlucht voor de dood. Haar lange haren plakten in haar nek van het zweet. Luid hijgend minderde ze vaart. Ze voelde haar overige energie ook wegsijpelen, ze was niks meer, een leeg omhulsel wat langzaam neerzakte op de grond.
“Help,” waren haar laatste fluisterende woorden, waarna ze met haar gezicht in de aarde viel.
“Rustig, ze heeft haar slaap hard nodig.” Het waren de eerste woorden die Margaretha hoorde toen ze wakker werd. Iemand had de moed gehad haar in bed te leggen. Na een paar seconden greep de angst haar weer bij haar keel en werd ze opnieuw de duisternis in getrokken. De mannen zaten weer achter haar aan, ze hadden haar te pakken, ze stond op de brandstapel! “Aaah!” Met een gil schrok ze ditmaal écht wakker. En meteen herkende ze de persoon die net ook al wat gezegd had.
“Tiwéle!” Als een klein kind vloog Margaretha de oude vrouw om haar hals.
“Wat is er allemaal gebeurd?” vroeg ze lachend en huilend tegelijk.
“Dat is een lang verhaal, kind. Een erg lang verhaal,” beaamde Tiwéle.
“Maakt niet uit. Ik wil het allemaal horen!” zei Margaretha die nu wel erg nieuwsgierig was geworden.
“Je moet eerst wat eten, je ziet er slecht uit,” zei Tiwéle naar waarheid. Gretig viel Margaretha aan op het stuk brood wat haar voorgehouden werd, omdat ze honger had én omdat ze wilde weten hoe ze hier verzeild was geraakt. Waar ze ook was.
“Waar ben ik eigenlijk?” vroeg Margaretha vlak nadat ze de laatste hap had weggeslikt. “Laten we bij het begin beginnen,” antwoordde Tiwéle rustig.
“Wat dééd je daar?”
“Waar?”
“Waar wij je vonden, onder de modder, in het bos achter de kerk.”
Margaretha deed haar hele verhaal vanaf het afscheid met Tiwéle.

“Dus daarom was je zo uitgeput! Je hebt de hele weg geslapen,” zei Tiwéle na een tijdje.
“De hele weg?” vroeg Margaretha verbaast. “Waar zijn we dan in hemelsnaam?” Ze keek om zich heen, op zoek naar iets wat ze zou herkennen.
“Duitsland.”
Margaretha kon een gilletje niet onderdrukken, dit ene woord had haar weer hoop gegeven. “Redding,” zuchtte ze opgelucht.
“Nee, helaas niet,” zei Tiwéle bedroefd. “Op zo’n reis naar Duitsland hoor je veel. Zangado is bezig aan een lijst om alle ‘heksen’ op te sporen. En ze komen ook naar Duitsland, hier in Gronau wonen de meeste gevluchte mensen.” Margaretha’s lach verdween weer.
“Ik ben ook nooit ergens veilig!” Tiwéle stond op om haar een troostende knuffel te kunnen geven, maar op dat moment vloog de deur open. In de opening stond een grote gestalte, afgetekend tegen de steeds donkerder wordende lucht zag hij er angstaanjagend uit. Margaretha zat trillend op haar stoel, even had ze gedacht dat de man een soldaat was, maar Tiwéle lachte vriendelijk naar hem. Terwijl ze ook voor hem brood klaarmaakte begon Tiwéle te praten.
“Dat kleine deel van het verhaal moest ik je nog vertellen. Dit is mijn broer.” Margaretha keek angstig naar de man die tegenover haar aan de tafel had plaatsgenomen en nu een soort van glimlach produceerde. Het kleine beetje informatie dat ze over hem gekregen had, kon je niet positief noemen, dus glimlachte ze een beetje terwijl ze hoopte dat Tiwéle weer snel ook aan de tafel kwam zitten.
“Hallo,” zei de man met zware stem. “Ik heb geen idee waarom je hier bent, maar als Tiwéle zich zoiets in haar hoofd haalt zal het wel nodig zijn. Ik ben Hans.”
“Ik ben Margaretha,” zei ze. Ze dacht niet dat ze ooit vrienden zou worden met deze man. Toen het een tijdje stil was stond ze op om te kijken hoe het bij Tiwéle ging, deze stond maar een paar meter verderop brood te snijden, maar toch voelde het vertrouwelijker.
“Ik ben moe,” verzuchtte Margaretha terwijl ze tegen de tafel die als aanrecht diende aanleunde.
“Je kunt wel gaan slapen, ik denk dat je morgen net zoals mij en Hans verder moet reizen.” Margaretha had geen zin om daar verder over na te denken en gaf dus alleen een ‘ja’ als antwoord.
“Waar slaap ik eigenlijk?” vroeg ze zich hardop af.
“Trap op. Rechterkant,” Klonk het vanaf de keukentafel. Dankbaar keek Margaretha Hans’ kant op. Misschien had ze hem toch verkeerd ingeschat. Ze liep langzaam de trap op en merkte daar meteen dat de beschrijving van Hans klopte, aan de rechterkant zat maar één deur, naar een slaapkamer. Ze liet zich op het bed vallen en viel meteen in slaap, uitgeput door de zware dag. En in dat bed hadden haar gedachtes weer de vrije loop, de angst achtervolgde haar in haar onrustige dromen.



Ze stond in het midden van een grote zaal. Overal om haar heen zaten mensen, met een beschuldigende uitdrukking keken ze naar Margaretha. Ze was bang, wilde wegrennen, maar het leek wel alsof haar voeten vastgevroren waren, ze kon geen kant op.
“Nummer dertien. Margaretha van Echt, verdacht van hekserij.” Margaretha verdronk zowat in haar angst, er kwamen twee mannen op haar aflopen. Ze duwden haar vooruit, een stenen trap af. Achter haar laaiden stemmen op, vol roddels over haar. Ze werd een klein hokje ingegooid, en na een knal van de deur werd alles aardedonker.

Plotseling was ze aan het rennen, door een drukke straat. De mensen leken haar niet op te merken, maar ze móést door. Anders zou alles verloren zijn. Wat dat alles was, dat wist ze niet.

En het was weer stil, ditmaal een vredige stilte. Overal om haar heen klonk mooie muziek. Nergens was nog een spoortje van wreedheid te bekennen, de hele wereld leek wel vrolijk.

Onbewust glimlachte Margaretha in haar slaap, dromend over mooie dingen. Terwijl ze niet besefte dat ze in gevaar verkeerde. En dat gevaar kwam steeds sneller dichterbij.

De wereld leek zo mooi, hier zou ze voor altijd willen blijven. Het rook overal naar bloemen, en er liepen alleen maar aardige mensen rond. En Margaretha zelf was nog het allervrolijkst, dolgelukkig was ze met de kinderen uit haar buurt aan het spelen. Ze ademde diep in, bij iedere ademhaling leek de wereld mooier te worden. Alle mensen waren zó blij.


Net zo diep ademhalend lag Margaretha in haar bed, genietend van de mooie droom. Maar de mannen op nu nog maar een paar honderd meter afstand, glimlachten niet. Zij waren er op uit om iemand te doden. En als het aan hen lag, zou het die nacht nog gebeuren. Sluipend, als een kat op rooftocht, zochten ze naar Tiwéle’s huis.

Ze rende over het gras wat nog nat was door de ochtenddauw. En alle kinderen renden speels achter haar aan. Wat de mensen ook deden, ze hadden allemaal plezier. Margaretha wilde nooit meer wakker worden, ze liet zich languit in het gras vallen.

Zachtjes werd een ruitje ingetikt. Er zou maar één iemand naar binnen gaan, die Hans wilden ze niet kwaad maken. Maar, had de voorlopige leider beloofd, als ze haar hadden mocht iedereen van haar marteling meegenieten. De smerige heks zou branden.

Plotseling leek ze uit haar droom geroepen te worden. De mooie wereld vervaagde.
“Nee!” riep Margaretha met al haar wilskracht, en ze stond weer in de vrolijkheid, genietend van de wereld. Toen steeg ze opeens op.
“Vliegen, heerlijk,” zuchtte ze, en ze vloog steeds verder omhoog. Angstig zag ze hoe de mooie wereld steeds kleiner werd. Ze wilde er niet vandaan.

“Margaretha!” Die stem overstemde al het andere geluid. En met een klap was ze weer terug in haar bed, haar ogen wijd opengesperd. Die stem leek wel echt!
“Margaretha!” Weer hoorde ze hem, het had dwingend geklonken, maar ze kon de bron van het geluid niet vinden. Ze ging rechtop in bed zitten.
“Ja?” vroeg ze zachtjes.
“Je moet vluchten! Spring uit het raam, ik vang je op.”
Margaretha lachte, dit leek wel heel erg op een goedkoop toneelstuk wat ze ooit gezien had. “Margaretha!”
“Wat is er nou?” vroeg ze nog steeds een beetje slaapdronken.
“Er proberen mannen je huis binnen te komen, om je op te pakken.” Nu was ze klaarwakker, ze sprong van het bed af en ging bij het raam staan.
“Help me dan!” riep ze wanhopig.
Nu pas zag ze wie het was, Thomas, de jongen die haar Roessen in had gebracht.
“Ik help je ook! Spring gewoon uit dat raam, ik kan je echt wel dragen.” Margaretha keek over de rand, het was ongeveer vier meter hoog, maar het leek een oneindigheid.
“Ik durf niet, ik heb hoogtevrees,” piepte ze bang. Op dat moment hoorde ze ergens in de verte gekraak van hout, angstig keek ze Thomas aan. Deze keek vertwijfeld.
“Kijk niet naar de grond, kijk maar naar mij. Je moet uit dat huis zien te komen, die mannen zijn tot alles in staat!” Margaretha deed wat hij zij, ze staarde Thomas krampachtig in de ogen en sprong.

Hoofdstuk 4

‘Oef!’ was het eerste geluid wat ze beneden hoorde. Thomas gaf haar een vriendschappelijke knuffel, aan zijn hartslag kon je merken dat hij zeker even bang als Margaretha was.
“We moeten hier weg,” fluisterde hij zachtjes in haar oor.
“Ik geloof dat ze door het hele dorp lopen, we moeten het bos in!”
Margaretha stond te trillen op haar benen en was bang dat haar stem dat ook zou doen, dus ze knikte alleen maar. Thomas pakte haar bij haar hand en leidde haar zachtjes uit het kleine straatje. Margaretha rende zo stil mogelijk mee.
“En nu?” vroeg ze toen Thomas aan het eind van de straat stil bleef staan.
“Ssst!” siste hij. Margaretha bleef verschrikt stil naast hem staan. Na een paar seconden hoorde ze het geluid dat Thomas waarschijnlijk al eerder opgemerkt had. Voetstappen. Ze leunde, ditmaal nog harder trillend, tegen Thomas aan, haar benen zouden het niet lang meer houden. De voetstappen leken weg te sterven en Thomas begon weer te praten.
“Precies waar ik bang voor was, ze moeten wel erg op je gesteld zijn, ze willen je zo te merken niet kwijt. Het zal nog lastig worden met die wachtposten.” Margaretha voelde zich schuldig, het was tenslotte haar schuld dat ze nu aan het vluchten waren.
“Wat doe je hier trouwens?” vroeg ze nieuwsgierig.
“Straks,” fluisterde Thomas en hij hield een vinger voor zijn mond als teken dat ze stil moest zijn. Zo stonden ze weer een tijdje zwijgend naast elkaar, Margaretha besloot om alles te doen wat Thomas zou zeggen, hij had het waarschijnlijk goed. De voetstappen weerklonken weer, maar ditmaal van achter.
“Verdomme,” siste Thomas. Hij trok Margaretha naar rechts, een ander klein straatje in, daar begonnen ze te rennen.
“Ze horen ons nu toch,” hijgde Margaretha. Thomas versnelde een beetje,
“ja,” zei hij toen. Margaretha vond het een beetje vreemd, maar ze zou zich aan haar besluit houden en bleef dus naast hem rennen. Na een tijdje hoorde ze ook weer de zware voetstappen achter zich, maar omkijken durfde ze niet.
“Wat doe je?” vroeg ze met dikke stem, waarin ze haar angstige tranen verstopt had.
“Volg me gewoon, ik heb een plan,” zei Thomas zelfverzekerd. Terug kan ik toch niet meer, dacht Margaretha. En ze rende verder, nog steeds achtervolgd door de geheimzinnige man. Ze hoorde hoe de achtervolger steeds dichter naderde en ging ditmaal zo snel als ze kon rennen. “Blijf gewoon vooruit rennen, ik wacht op je,” zei Thomas, en hij rende nog veel harder weg. Margaretha keek hem na, terwijl ze nog steeds op haar eigen tempo doorliep. Deze keer stroomden de tranen wel over haar wangen. Hij verlaat me, ik word zo meteen gepakt, dacht ze wanhopig. Thomas had haar zo aardig geleken, maar nu rende hij gewoon weg. Doordat de emotionele pijn er ook nog bij kwam, ging ze steeds langzamer lopen. Ze kon niet meer. “Margaretha, schiet op,” werd er naar haar gefluisterd. Toen zag ze het pas. Na een paar meter veranderde de stenen weg in een zandpad, en daar stond Thomas bij een soort paard. Margaretha ademde diep in, misschien zou ze het toch samen met Thomas redden. Hij was er nog, en als dat plan goed zou zijn. Margaretha had Thomas bereikt, ze zag dat het geen paard maar een ezel was, waarvan hij nu de touwen lossneed. Hij deed het werk vliegensvlug en duwde daarna Margaretha de bosjes in, waarna hij zichzelf er ook in verstopte. Margaretha bleef stil zitten, zichzelf zo klein mogelijk makend. Ze zou pas praten, als Thomas praatte. Na weer hoogstens een aantal seconden hoorde ze de voetstappen weer duidelijker, en nu had ze het door! In het donker zou de man de ezel natuurlijk makkelijk voor vluchtende mensen kunnen aanzien, en op het zandpad zouden voetstappen toch niet te horen zijn geweest. En het simpele plan werkte inderdaad. De man riep hard langs ‘hun’ bosje en bleef de ezel hijgend volgen.
“Gelukt!” hoorde ze blij naast zich. Ze hoorde wat ritselen en merkte dat Thomas weer tevoorschijn kwam, ze volgde zijn voorbeeld.
“Ik dacht even dat je gewoon wegrende,” zei ze een beetje lacherig.
“Natuurlijk niet,” antwoordde Thomas daarop.
“Maar we moeten hier vlug weg, naar het bos daar.” Hij wees met zijn hand langs de struiken waar ze net uitkwamen. Margaretha volgde zijn vingers en merkte dat het nog een moeilijke weg zou worden, het kleine, bijna onzichtbare paadje liep tussen doornstruiken door.
“Gaat het nog?” vroeg Thomas bezorgd aan haar.
“Ja hoor,” zei Margaretha en ze stapte zelfverzekerd weer tussen de struiken. Als ze goed keek kon ze een pad onderscheiden van de net iets meer begroeide aarde. Met hun ogen op de grond gericht liepen de twee door.
“We kunnen nu toch weer gewoon praten?” vroeg Margaretha omdat het zo stil was.
“Ja,” antwoordde Thomas. “En ik geloof dat je nogal nieuwsgierig bent.”
Margaretha lachte, dat was ze inderdaad. Terwijl ze door bleef lopen vervolgde ze zonder om te kijken het gesprek.
“Ach, ik vroeg me gewoon af wat je hier deed.” En Thomas begon aan zijn verhaal.
“Ik ben muzikant. Dus eigenlijk reis ik meer dan dat ik thuis ben. Vanochtend, toen jij gevonden werd, ging ik net op weg naar Magdeburg. Daar wonen drie van mijn vrienden, ook muzikanten, samen treden we wel eens op om geld te verdienen. Maar goed, ik was net klaar om te vertrekken toen ik geschreeuw hoorde. Het waren geloof ik allemaal mannenstemmen en ze leken nogal kwaad. Het geluid kwam steeds meer mijn richting in, dus ik vluchtte gauw mijn huis weer binnen, misschien kwamen ze wel voor mij. Toen het na een tijdje weer stil werd vertrok ik toch maar. Maar toen ik de hoofdstraat binnenging zag ik de oorzaak van het lawaai. Jij. Je lag doodstil in de modder en er stonden een man en vrouw bij. Ik schrok erg, want het leek net alsof je dood was. Gelukkig wist die vrouw iets van geneeskunst af, dus zei ze dat je alleen maar sliep ofzo. Die vrouw bleek je toen te kennen.”
“Tiwéle!” zei Margaretha blij.
“Oh ja, zo heette ze,” vervolgde Thomas.
“Ze legde jou tussen wat dekens in haar oude kar, ik ben toen met haar meegereisd omdat ze dezelfde richting in moest. Ik ben ook in Gronau gaan overnachten en wilde je de volgende morgen bezoeken om te kijken hoe het ging. Ik zat nog laat in de herberg waar ik zou vernachten en zodoende ving ik een handig gesprek op. Een klein groepje mannen in die herberg bleek jou ook te kennen, maar niet op een leuke manier. Ik hoorde van hun plannen om je ´s nachts te overvallen en vermoorden, door het bier waren ze nogal luidruchtig geworden. Ze zouden pas gaan als het echt donker werd, gelukkig schemerde het nog. Toen heb ik eerst mijn kar en paard in het bos verstopt om er later mee te kunnen vluchten, en toen ben ik je gaan zoeken.”
“Wauw!” Margaretha draaide zich om.
“Waarom heb je dat allemaal voor me gedaan? Je had me ook kunnen laten stikken.”
“Ach,” stamelde Thomas terwijl hij ook stopte met lopen, zijn gezicht kwam steeds dichter bij het hare. Ze voelde zijn zware ademhaling in haar nek.
“Wat doe je?” stamelde ze.
“Ssst,” zei Thomas vlak voordat hij zijn lippen op de hare drukte. Margaretha deed verschrikt een paar stappen achteruit.
“Thomas! Ik, ik,” stamelde ze verwijtend.
“Sorry hoor,” zei Thomas met zijn ogen naar zijn voeten gericht.
“Ik dacht gewoon dat, ik bedoel, ik heb je wel heel erg geholpen!” Dat laatste zei hij fel, en hij keek weer omhoog. Margaretha wist niet wat ze nou moest denken, hij had haar leven gered en dan weigerde ze zijn zoen. Dat vond ze wel erg onbeleefd.
“Sorry,” zei ze zachtjes. “Ik schrok gewoon, je bent heel aardig hoor.”
Ze keek naar Thomas, die mokkend op de grond was gaan zitten. Hij was eigenlijk best knap, in zijn wijde broek, een beetje openstaande bloes en groene pet waar zijn haar in kleine vlechtjes onderuit kwam. Ja, hij was zeker speciaal en ook nog eens aardig, maar hij had iets waardoor ze niet verliefd op hem was. Wat dat was wist ze nog niet. Thomas begon weer te praten.
“Excuses aanvaard. Ik ben wel vaker te snel met meisjes, ik leer nog weetje,” zei hij schaamteloos.
“Wel vaker?” vroeg Margaretha verbaasd. Ze was zelf nog maar één keer echt verliefd geweest.
“Laten we verder lopen,” zei Thomas. Hij stond zichtbaar chagrijnig op en liep met grote passen weg.
“Sorry!” riep Margaretha opnieuw en ze liep verdrietig achter hem aan. Hij had zoveel voor haar gedaan en nu maakte zij hem kwaad. In gedachte schold ze op zichzelf. Hij wilde alleen maar een zoen, dat hoorde waarschijnlijk zo in Duitsland en dan ging zij zich zo stom gedragen. Na een tijdje zwijgzaam achter elkaar aansjokken bereikten ze Thomas’ paard en kar.
“Stap in,” zei Thomas gemaakt vrolijk. Margaretha wist dat ze de hele weg zo zouden blijven toneelspelen als er niks gebeurde, dus nam ze een besluit. Ditmaal drukte zij haar lippen op die van hem. Thomas zoende gretig terug en na een korte zoen ging Margaretha op het bankje voorin zitten, ze voelde zich slecht.
“Jemig,” stamelde Thomas, “dank je, ik snapte best dat het je net overviel, sorry.”
Je begrijpt er helemaal niks van, dacht Margaretha, maar het is in ieder geval weer goed. Ze vroeg zich veel dingen af. Hadden ze nu een relatie of zouden ze gewoon vrienden blijven. En zou Thomas wel echt verliefd zijn, ze vond zichzelf geen persoon waar je verliefd op kon worden.Ze besloot om gewoon af te wachten. Op het moment was het het belangrijkst om gewoon weg te komen, dieper het land intrekken waar ze niet vervolgd zou worden vanwege hekserij of iets anders.
“Rotleven,” zei ze per ongeluk hardop.
“Sorry?” zei Thomas die net het paard aan de andere kant het bos aan het uitleiden was. “Nee niks,” zei ze zo normaal mogelijk. “Waar gaan we eigenlijk heen?”
“Magdeburg,” zei Thomas vol trots. “Je kunt wel bij mij en mijn broer en vrienden logeren, we wonen samen in het oude huis van mijn grootvader. Ze zullen er vast niks op tegen hebben.” Margaretha had geen idee wat haar te wachten stond en keek zenuwachtig om zich heen. Daar zat ze dan, op een kar met een nog bijna onbekende jongen die haar toch had willen zoenen, op weg naar een plaats die ze net zo min kende.

Hoofdstuk 5

Het begon al weer snel lichter te worden, je kon aan alles in de omgeving merken dat de dag weer was begonnen.
“We gaan zo maar even stoppen, we moeten nog eten,” zei Thomas, hij was lang stil geweest. Margaretha knikte instemmend en ze reden zwijgend nog een stukje door totdat Thomas een geschikte plek vond. Toen ze nog maar net stilstonden liet Margaretha zich al in het lange gras vallen, het rook naar haar droom, naar lente en vrolijkheid. Een grote glimlach verscheen op haar gezicht toen ze de braamstruiken voor zich zag staan.
“Heerlijk!” riep ze en ze begon gauw te plukken terwijl Thomas lachend het paard verzorgde. Ze drong een stukje verder de struiken in en toen haar zakken vol zaten keerde ze zich weer om. Plotseling schoot er iets langs haar been. Ze keek er verschrikt naar, een slang! Het beestje was hooguit 20 centimeter, maar zag er angstaanjagend uit. Zij en de slang keken elkaar aan. Niet wegkijken, dacht ze, dan valt hij aan.
“Help!” probeerde ze te roepen.
“Wat is er?” schreeuwde Thomas sloom van de zonnigheid terug.
“Een slang,” piepte ze. Thomas sprong op uit het gras en kwam aanlopen om te kijken. Bij het zien van het beestje en Margaretha’s bange gezicht zuchtte hij.
“Weet je hoe klein dat beest is! Trap hem gewoon dood,” zei hij geërgerd.
“Ik durf niet,” piepte Margaretha nog steeds angstig. Thomas kwam met grote stappen dichterbij en plette de weerloze slang in één keer onder zijn voet.
“Klaar,” zei hij. “Kon je dat nou zelf niet?”
Margaretha voelde zich zó stom, het leek alsof ze alles verkeerd deed. En het ging net weer goed tussen hen twee, waarom kon ze niet gewoon een keer dapper zijn, dan zou er niemand chagrijnig worden. Ze liep dwars door de doornstruiken weer terug, de pijn deed haar niks, dat had ze verdiend. Toen ze weer bij de kar kwam zat Thomas naar haar te kijken, bij al haar bewegingen volgden zijn ogen haar.
“Wat kijk je nou?” vroeg ze na een tijdje, en verschrikt door haar brutale opmerking sloeg ze gauw haar hand voor haar mond. Thomas voelde zich betrapt en ging vlug het gras bestuderen. Margaretha begreep echt niets van hem, zijn stemming wisselde steeds, net leek hij kwaad en nu juist verlegen.
“Moeten we niet even slapen?” vroeg Thomas toen ze een tijdje voor zich uit hadden gestaard.
“Goed idee, we hebben een lange nacht gehad,” antwoordde Margaretha. “Gewoon hier in het gras?”
“Problemen mee?” zuchtte Thomas.
“Nee hoor, helemaal niet.” Margaretha plofte snel in het gras en probeerde te slapen. Ze nam zich voor voorzichtiger met Thomas om te gaan, zodat ze ook niets fout kon doen. En met deze gedachte dommelde ze in.

De schelle roep van een vogel deed Margaretha wakker schrikken. Aan de stand van de zon te zien had ze niet zo heel lang geslapen, toch was ze uitgerust. Ze voelde iets zwaars op haar rug en draaide zich om, ze keek recht in het slapende gezicht van Thomas. Stiekem glimlachte ze even, hij lag daar wel eg lief met zijn armen om haar heen. Maar toch duwde ze hem weg, ze wist helaas hoe hard hij kon zijn als hij wakker was en daar had ze geen zin in. Opeens hoorde ze een zacht geluid, het leek wel hoefgetrappel. Ze keek langs de weg die zij en Thomas hadden afgelegd en merkte dat er inderdaad in de verte paarden aankwamen.
“Niet weer,” zuchtte ze. Vlug stootte ze Thomas aan.
“Wakker worden!”
“Goedemorgen,” stamelde hij loom.
“Schiet op, er komen mensen aan!” siste ze in zijn oor. Thomas sprong op en maakte zijn vastgebonden paard los.
“Stap in,” zei hij snel en ze reden hard weg. Thomas had het druk met zijn paard aansporen en Margaretha liet haar gedachtes de vrije loop. Dit is dan mijn leven, dacht ze. Ik zal voor eeuwig op de vlucht zijn. Ze ondersteunde haar gezicht met haar handen en staarde snikkend voor zich uit. En niemand zou haar troosten.
“Sorry voor daarnet,” zei Thomas opeens. Margaretha keek verbaasd opzij, meende hij dat nou?
“Maakt niet uit hoor,” stamelde ze verrast.
“Het maakt wel uit, ik was gewoon een beetje uit mijn humeur,” antwoordde Thomas daarop. “Och, dat hebben we allemaal wel eens,” zei Margaretha onverschillig, maar van binnen was haar humeur toch opgeknapt. Thomas lette weer op de weg, dus Margaretha liet haar hoofd terugzakken, met ditmaal wat blijere gedachtes. Af en toe keek ze op, het landschap leek steeds te veranderen. Daarnet reden ze nog op een pad tussen de struiken door, nu zaten ze op een kale vlakte.

Hoofdstuk 6

“We zijn er Margaretha! Kom op, jemig wat slaap jij veel!”
Margaretha ontwaarde iets groens boven haar hoofd. Na een tijdje kon ze zien dat het Thomas’ pet was, waaronder een ongeduldig hoofd zat.
“Sorry,” zei ze verlegen. Nu pas keek ze goed om haar heen. Een beetje geshockeerd ging ze overeind zitten. Dit had ze niet verwacht. Ze stonden voor een piepklein, gammel houten huis, aan de overkant van de met afval bedekte straat stonden net zulke huizen. En het stonk overal naar urine. Margaretha kneep haar neus dicht en stond ongelukkig op, dit was dan haar redding. Teleurgesteld keek ze rond, het zag er eerder als een ondergang uit.
“Ah, daar hebben we hem,” klonk er opeens hard van achter haar. Margaretha draaide zich om en zag een Duitse soldaat staan. Ze was blij dat haar ouders vroeger de moeite hadden genomen haar Duits te leren. Achter de soldaat verschenen nu ook drie jongens van ongeveer haar leeftijd. Ze keken wanhopig Thomas’ kant op, die keek net zo wanhopig terug.
De soldaat begon weer met gemene stem te spreken: “En nu eruit! Dit huis hoort vanaf nu aan ons toe, wegwezen!” De man schreeuwde alsof de jongens op een kilometer afstand stonden, en zo te zien genoot hij er van. Na een waarschuwingsschot van de soldaat renden de drie jongens naar Thomas. De soldaat verdween in het huis en het was stil. Margaretha keek verbaasd naar de deur waar het voorval net had plaatsgevonden.
“Wat wás dat allemaal?” riep ze uit. Nu merkten de jongens haar ook op.
“Zeg, wie ben jij eigenlijk?” vroeg de dunste jongen, je zou hem zo door kunnen breken.
“Ze komt met mij mee,” zei Thomas voordat Margaretha haar mond ook maar open kon doen. “Thómas, dat kunnen we nu even niet gebruiken, ja? Wat ben jij onverantwoordelijk!” zei de dunne jongen die zich nu tot Thomas had gekeerd.
“Ik neem haar heus niet voor mijn plezier mee ofzo! Ik bedoel, ze is natuurlijk wel aardig, maar ze is mee omdat ze moest vluchten,” zei Thomas net zo scherp.
De dunne jongen gaf hem nog een woeste blik en keerde zich toen weer naar Margaretha. “Het moet dan maar, ik ben Billy Kaulitz, noem me ook maar zo, want wie het waagt om Bill te zeggen krijgt met mij te maken.”
Margaretha moest lachen om de vreemde naam, maar merkte snel dat ‘bil’ dat niet leuk vond. “Sorry, ik ben Margaretha van Echt,” zei ze vlug.
“Hallo Margaretha! Ik ben Georg,” zei een andere jongen lachend. Hij leek wel het tegenovergestelde van Billy, deze had juist heel veel spieren.
“Hoi!” zei Margaretha opgewekt door de begroeting.
“En ik ben Gustaaf,” zei de laatste jongen die een beetje achteraan had gestaan, hij had, in tegenstelling tot de andere drie, kort haar.
“Ik vind het leuk dat je zoveel vertrouwen in ons hebt, of dat Thomas dat heeft gegeven. Maar het was niet handig om naar ons te vluchten. We zijn namelijk net dakloos geworden,” zei Billy treurig. Margaretha keek hulpeloos weg,
“sorry,” zei ze na een tijdje.
“Daar kan jij toch niks aan doen, we gaan gewoon gezellig met zijn allen rondtrekken,” zei Georg. Die jongen leek wel altijd opgewekt te zijn, Margaretha zuchtte.
“Gewoon gezellig met elkaar rondtrekken?” vroeg Thomas verbluft. “Je weet niet wat je zegt! We zijn net ons huis, instrumenten, alles kwijtgeraakt. We gaan dood,” zei hij terwijl hij op het zitje voorin de kar ging zitten. Billy ging glimlachend voor hem staan, waardoor Thomas nog kwader leek te worden.
“Wat moet je? Heeft hij jullie gehersenspoeld? Waarom is iedereen vrolijk!” Thomas schudde hem door elkaar. Margaretha herkende deze woede en deed vlug een stap opzij. Billy trok zich los en begon weer rustig te praten.
“Ik lachte alleen maar omdat we onze instrumenten nog hebben! Toen die soldaat er met veel lawaai aankwam hebben we ze naar buiten gegooid.” Thomas’ gezicht klaarde weer een beetje op,
“Waar zijn ze nu dan?” vroeg hij vlug.
“Als het goed is heeft Georg ze in de lege waterton gelegd?” Billy keek afwachtend naar Georg. Deze knikte instemmend en liep weg, waarschijnlijk om ze op te halen. Margaretha zat nog vol vragen door dit plotselinge voorval.
“Waar hadden jullie dat eigenlijk aan verdiend?” vroeg ze aan niemand in het bijzonder.
“We hadden de huur niet op tijd betaald, en ze hebben sowieso de pest aan ons,” antwoordde Billy, het viel Margaretha al op dat hij degene was die het meeste praatte.
“En dat gebeurt natuurlijk net wanneer ik weg ben!” Thomas keek vuil naar Billy.
“Ja, waar was je dan? Als je iets eerder terug was gekomen was het waarschijnlijk allemaal gelukt.” Margaretha bedacht zich dat dit waarschijnlijk de broers waren, vrienden gingen niet zo met elkaar om.
“Zeur niet!” snauwde Thomas tegen Billy.
“Ik zorg hier in ieder geval voor geld.” Met een grote grijns haalde hij een dikke buidel uit zijn zak.
“Oh,” stamelde Billy, maar hij herstelde zich gauw en kwam weer in de boze stemming van net.
“Had dan wat sneller gereden! Daar hadden we makkelijk de huur mee kunnen betalen,” zei Billy met een kwade stem, hij stond vlak voor Thomas. Thomas duwde hem achteruit.
“Lui rotjoch. Als je zelf nou eens wat gedaan had. Maar daar ben je te lui voor, je laat mij al het werk doen en verwacht dat ik met een glimlach op mijn gezicht al het geld keurig kom afleveren. Je bent mijn broer, niet mijn meester.” Dat de twee inderdaad broertjes waren kon je niet alleen merken door de bevestiging van Thomas, maar ook door zijn manier van spreken. Ondanks dat ze ruzie maakten, had Margaretha bewondering voor ze. Ze konden goed discussiëren. Billy bleek onderdanig te zijn aan de woorden van zijn broer en knikte met zijn hoofd.
“Je hebt gelijk dat het niet geheel jouw schuld is, laten we het vergeten en ons voorbereiden op de tocht die we moeten maken.” Margaretha was verbaasd dat Billy zomaar toegaf, maar Thomas had het blijkbaar vaker meegemaakt, hij knikte. Op dat moment kwam Georg aanlopen met een karretje wat zeker tien jaar te oud was om in deze tijd nog handig te zijn. Toch had het gammele ding nog nut, Margaretha zag er spullen inzitten.
“Is alles er nog?” vroeg Gustaaf die tijdens de ruzie verstandig niks had gezegd. Hij liep ongerust op de kar af. Georg noemde op wat hij had.
“Thomas´ gitaar, mijn gitaar, die koffer met geluid-dingen van Gustaaf, die ene trommel die hij van zijn oom had gekregen, Billys mondharmonica en dat vreemde ding waarvan Thomas zei dat hij er een instrument van ging maken.” Margaretha zag alle instrumenten die Georg gewoon midden op de straat had neergelegd en merkte dat dat het kostbaarste was wat ze waarschijnlijk bezaten. Al het andere bezit moest nog in het ingenomen huis zijn.
“En nu?” vroeg Margaretha aarzelend.
“We moeten weg, op zoek naar een goede slaapplaats, een nieuw leven beginnen,” zei Billy met zware stem.
“Stel je niet aan!” reageerde Georg daarop. “Het belangrijkste in ons leven is de muziek en daarvoor hebben we alles nog.”
Billy nam stilletjes mokkend wat afstand, hij zag het allemaal niet zo kleurrijk in.
“We moeten inderdaad weg, zwervers pakken ze op,” legde Gustaaf rustig uit.
“Alleen hebben we paarden nodig als we goed weg willen komen. En we hebben alleen het karrenpaard, op die kar kunnen maar twee personen.”
Nu ze allemaal doorhadden wat het probleem was, probeerde iedereen een oplossing te bedenken.
“We hebben drie paarden nodig als Margaretha mee wil.” Georg keek vragend haar kant op, ze knikte bevestigend. Een tijdje was het stil, totdat Thomas weer begon te praten.
“De kasteeltuin! Achterin staan paardenstallen voor de soldaten, daar kunnen we er wel wat van meenemen, zij hebben er tenslotte voor gezorgd dat we moeten vluchten.” Margaretha keek geschrokken zijn kant op.
“Je bedoelt dat we ze moeten stelen? Van het land van de adellijke mensen?”
“Wat je adellijk noemt!” Billy spuugde bij deze woorden naar de grond.
“Om het minste pakken ze mensen op. Geloof me, ze hebben nog wel meer verdiend.” Na deze woorden zonderde Billy zich weer af. Margaretha was er niet gerust op, maar besloot maar mee te doen, ze had toch niks te verliezen.
“Maar het is nog licht,” zei Georg en hij keek op de klok van de kerktoren die hoog boven de andere huizen uitstak. “Het is vier uur, het wordt rond acht uur pas schémerig.”
Met een verbeten trek rond zijn mond stond Thomas op,
“Ik krijg die beesten heus wel mee, al is het licht. Die soldaten zijn te stom om het te merken.” Thomas maakte al aanstalten om weg te lopen, maar Georg hield hem tegen.
“Het gaat hier niet om of je iets kunt of niet, de stallen worden bewaakt. Dat krijg jij op klaarlichte dag echt niet klaar!” Opnieuw merkte Margaretha hoe de broers op elkaar leken, nu zaten ze alle twee mokkend voor zich uit te kijken. Georg en Gustaaf zuchtten tegelijkertijd, ze hadden het kenbaar vaker meegemaakt.
“Laten we wat gaan verdienen, we moeten toch nog veel tijd opvullen,” zei Gustaaf met opnieuw een diepe zucht.
“En die Margaretha dan, die moet ook werken voor haar geld,” zei Billy terwijl hij nog steeds niemand aankeek. Margaretha schrok, daar had ze nog niet aan gedacht.
“Hoe dan?” vroeg ze voorzichtig. Het enige werk waar ze verstand van had was dat als kruidenier.
“Dat kan van alles zijn,” zei Thomas ook niet geheel opgewekt.
“Ga bedelen ofzo. Of nog beter, word hoer, dat verdiend goed.” Margaretha keek hem ongelovig aan, aan zijn gezicht kon je niet zien of hij dat nou had gemeend of niet. Georg nam het gelukkig voor haar op:
“Thomas! Niet iedereen is zoals jij als je dronken bent. Doe niet zo chagrijnig en houd op met haar pesten,” zei hij waarna hij zich tot Margaretha richtte.
“En je hoeft niet ongerust te zijn, we leren je wel een instrument aan.”
“Ze drukt zich gewoon tussen ons in. We speelden altijd met z’n vieren, dat wil ik zo houden. Ze ziet er goed uit, ze kan best wel geld verdienen met andere dingen,” zei Thomas woest. “Eh,” stamelde Margaretha, door de kwade blik in Thomas’ ogen was ze bang iets verkeerds te zeggen.
“Alsof je er iets tegenin weet te brengen. Je weet nooit wat je moet doen, als ik je niet had gered was je nu dood geweest! Dan had niemand last van je gehad,” zei Thomas waarna hij woedend wegstormde. Margaretha zakte huilend in elkaar, ze wenste dat ze Thomas nooit had ontmoet, dan had ze hem ook niet teleurgesteld en was ze nu in de hemel.
“Het spijt me,” snikte ze aan een stuk door. “Het spijt me, het spijt me.”
Ze was kwaad op zichzelf, ze wist niet meer waarom ze ooit op deze wereld terecht was gekomen, ze deed toch alles fout. In paniek naar adem happend zat ze op de grond, afgesloten van de rest van de wereld. Door een waas van tranen zag ze Thomas het dorp in verdwijnen, waardoor er nog meer tranen volgden. Haar luchtpijp leek zich af te sluiten. Nu ga ik dood, dacht ze. Nu kan iedereen weer gelukkig zijn.

Maar na een tijdje voelde ze twee sterke armen om haar heen, zachtjes aaiden ze haar schouders. Op een wonderbaarlijke wijze werd Margaretha er rustig van en droogde ze haar tranen.
“Sorry,” zei ze beschaamd. “Ik raak af en toe in paniek.”
“Je hoeft je niet steeds te verontschuldigen,” fluisterde de bezitter van de armen, Georg.
“Gaat het?” vroeg hij bezorgd. Na een ja van Margaretha stond Georg op en hielp hij haar omhoog. Margaretha merkte dat Billy ook weer bij de groep stond en bezorgd naar haar keek. “Let maar niet op Thomas hoor, waarschijnlijk had hij weer alcohol gehad. Daar wordt hij zo af en toe eens chagrijnig van.”
Margaretha was weer een beetje opgelucht door zijn woorden, dan had het misschien toch niet aan haar gelegen.
“Laten we hem maar op gaan halen, waarschijnlijk is hij in ‘herberg Smids’ ons geld aan het opdrinken,” zei Gustaaf gehaast. De anderen waren ook meteen klaar om weg te gaan en Margaretha keek verbaasd door dit snelle optreden.
“De vorige keer heeft hij ons geld voor de hele week opgemaakt,” legde Billy uit. Toen Margaretha zich bedacht dat ze misschien echt voor hoer moest spelen als het geld op was, kwam ze ook meteen in actie en was klaar om weg te gaan. Gustaaf legde het gammele instrumenten-karretje in de echte kar en sprong op de bok.
“Er kan nog één iemand bij,” riep hij naar de rest.
“Ik ga wel,” zei Georg, wat een boze uitroep van Billy teweeg bracht.
“Ik en Gustaaf zijn het sterkst, wij krijgen Thomas dat café wel uit,” riep Georg naar hem waarna hij vlug wegreed.
Billy liep snel achter de wagen aan, Margaretha volgde hem.
“Is het ver?” vroeg ze hem, ze had geen zin om lang door de gore straten te lopen.
“Nee hoor,” zei Billy en hij sloeg af naar rechts. Opgelucht keek Margaretha om haar heen, de huizen begonnen er hier al wat netter uit te zien.
“Waar ben je eigenlijk voor gevlucht?” vroeg Billy haar terwijl hij door bleef lopen.
“Ze dachten dat ik een heks was,” zei Margaretha, ze hijgde een beetje omdat Billy zo snel liep. Deze begon te lachen.
“Leven ze daar in Nederland nog in sprookjes ofzo?” Margaretha lachte nu ook, het klonk inderdaad bespottelijk. Maar na een tijdje schaamde ze zich voor de lol, ze dacht aan de brandstapels en honderden vermoorde mensen.
“Waarom kijk je zo treurig?” vroeg Billy terwijl hij naar links afsloeg.
“Och,” zuchtte Margaretha en ze deed haar verhaal over de brandstapels. Met uitzondering van de paar vloeken van Billy was het doodstil toen ze het vertelde. Aan het eind van het verhaal stonden de twee in het centrum en kreeg Margaretha een onhandig schouderklopje van Billy.
“Laat me maar,” zei ze vlug. “Waar is die herberg nou?” Zoekend keek ze om zich heen, al was het maar om tot een ander onderwerp te komen. Haar hele verleden was een beetje te pijnlijk om zomaar te vertellen. Billy merkte het en gaf antwoord.
“Daar, aan de overkant.” Hij wees met zijn vinger langs een plein voor de mooie grote kerk, daar stond inderdaad een klein cafeetje. In verhouding waren de letters met ‘herberg Smids’ veel te groot, maar het viel wel op. Margaretha zag dat Georg en Gustaaf al naar buiten kwamen, maar Thomas kon ze niet ontdekken. Billy rende er op af, Margaretha erachteraan. “Waar is hij?” vroeg Billy toen ze hijgend aankwamen.
“Niet hier en ook niet hier geweest,” zei Gustaaf terwijl hij zijn schouders ophaalde.
“Verdomme!” schreeuwde Billy naar de lucht. Hij balde zijn vuisten waarop Gustaaf en Georg hem gelijk vastgrepen.
“Laat me los. Ik was niet van plan iemand anders in elkaar te gaan slaan,” snauwde Billy.
De twee jongens lieten hem ook weer tegelijk los en Billy bleef woest staan.
“Je kon ook nooit op hem rekenen, altijd ging hij alleen maar drinken. En nu doet hij zelfs dat niet meer. Ik vermoord hem als hij gevonden is.”
“Dat zou ik maar niet doen,” zei Thomas die alsof het heel normale omstandigheden waren rustig kwam aanlopen.
“En nu is hij weer vrolijk!” snauwde Billy, die uit voorzorg weer werd vastgehouden door Georg.
“Ik was van schrik niet meer aangeschoten,” lachte Thomas.
“Aangeschoten? Man! Je was stomdronken en je denkt dat alles nu weer goed is?” Billy rukte met zijn armen die Georg stevig vasthad.
“Rustig,” zei Georg tegen hem. “Je lijkt zelf wel dronken, kalmeer eens.”
Billy stond weer stil, maar bleef woedend naar Thomas kijken. Maar Thomas leek niks door te hebben en keek zelfvoldaan naar de grond.
“Jij mag ook wel eens wat blijer worden, ik heb ons zojuist allemaal gered!” zei Thomas met een grijns. Margaretha keek verbaasd op:
“Hoezo gered? Je hebt toch niks gedaan?”
“Of vond je dat we minder geld nodig hadden en heb je dat even voor ons opgemaakt?” spotte Gustaaf.
“Ben eens stil, anders vertel ik het niet,” zei Thomas ongeduldig.
“Sorry,” zeiden Margaretha en Gustaaf tegelijk, ze waren onderhand toch wel nieuwsgierig geworden naar die ‘heldendaad’.
“Ik heb de paarden geregeld, ze staan achter de kerk in het bos. Alleen hebben ze me bijna ontdekt en moeten we eigenlijk heel snel vluchten,” zei Thomas terwijl hij nog steeds zelfverzekerd bleef staan.
“Zie je wel dat het kan?” zei hij blij.
“Dus die paarden staan nu onbewaakt in het bos terwijl er soldaten naar op zoek zijn?” vroeg Georg ongelovig.
“Jij hebt het door,” zei Thomas rustig.
Op dat moment klonken er zware mannenstemmen vanachter de kerk.
Na nog een hatelijke blik aan Thomas te hebben geschonken rende Billy voorop naar de kerk. Ze kwamen met zijn vijven aan de zijkant aan, vanwaar ze precies konden zien wat om de hoek gebeurde.
“Je hebt nog geluk gehad,” fluisterde Georg die als eerste zag dat het gewoon een paar aangeschoten mannen waren. Ze waren luid pratend aan het kaarten en ze leken de paarden niet te hebben gezien.
“Volg me.” Thomas sloop langs de kerk in de richting van het bos. De anderen luisterden uit nieuwsgierigheid naar zijn woorden en slopen net zo zachtjes achter hem aan. Thomas drong het bos binnen tussen twee erg dicht op elkaar staande bomen. Margaretha zag dat het wel moest, er was geen andere doorgang te bekennen. En ze dook ook maar tussen de takken die geheid in haar haren zouden blijven steken, door. In het bos heerste meteen een andere sfeer, van het lichte, open plein, naar een donker en dicht bos. Margaretha snoof de geur op, het rook naar thuis, naar vroeger.
“Het was hier ergens,” zei Thomas aarzelend. Hij keek zoekend om zich heen.
“Daar,” zei hij opgewonden terwijl hij naar een smal pad wees.
“Loop er dan in,” zei Georg toen Thomas een tijdje stil naar het pad had staan kijken.
“Doe het zelf,” snauwde Thomas. Margaretha begreep de twee jongens nu wel, het pad zag er niet bepaald welkom uit, in haar eentje zou ze hard zijn weggerend. Er stonden grote dreigende bomen, waar een of andere onverlaat enge gezichten in had gekrast. Verder stroomde er een heel klein beekje met onheilspellend groen water. En overal groeiden kleine schimmelpaddestoelen.
“Het heksenpad,” fluisterde Billy geheimzinnig en Margaretha begreep de naamkeuze meteen.
“Wat een bijgelovigheid, het is maar een pad,” zei Gustaaf terwijl hij vastberaden het paadje insloeg. Margaretha wist ergens wel hij gelijk had, maar na alle verhalen die ze gehoord had, was dit niet een van haar eerste keuzes.
“Jullie stellen je aan,” zei Georg waarna hij ook tussen de bomen verdween. Ondanks de zelfverzekerde woorden zag Margaretha zijn benen trillen.
“Oké,” zuchtte Margaretha ook maar en ze stapte met even hard trillende benen ook het angstaanjagende pad in, direct gevolgd door Thomas.
“Wat is dit voor een pad?” fluisterde ze, alleen maar om te horen of de rest er nog was. Gelukkig kreeg ze antwoord:
“Volgens oude legendes wonen hier de zeven heksen van Maagdenburg, ze tonen zich alleen als ze kwaad in de zin hebben,” zei Thomas geheimzinnig.
“En dan zegt Billy dat we in Nederland bijgelovig zijn!” riep Margaretha verbluft uit, in Duitsland was het net zo erg. Thomas reageerde niet meer en Margaretha zag dat ze weer een kleine open plek hadden bereikt, het beekje sloeg er naar links en het pad ging aan de overkant groter verder.
“Waar is Billy nou weer?” vroeg Georg die al samen met Gustaaf stond te wachten.
Het antwoord kwam van Billy zelf, luid vloekend verscheen ook hij tussen de bomen.
“Verstop die paarden de volgende keer op een handigere plek,” beet hij Thomas toe.
Thomas reageerde uit verstandigheid niet en liep door over het grote, wel doorgaanbare, pad.
De rest volgde stilzwijgend, met uitzondering van een paar ontevreden geluidjes van Billy.
Na een tijdje werd het pad kleiner en verdween tenslotte helemaal, ze stonden weer middenin het bos.
“En nu?” vroeg Billy sarcastisch. Zijn vraag werd beantwoord door het gesnuif van paarden. De vier jongens en Margaretha draaiden gelijk hun hoofden om,om daar drie prachtige paarden te zien. Ze waren allemaal glanzend zwart met hoofdstellen die blonken van het goud. Een tijdje keken de vijf ademloos naar de harmonieuze dieren. Ze stonden braaf te wachten op wat er ging gebeuren. Margaretha liep in trans naar het linker paard toe, deze had een witte bles op haar hoofd. Dit paard leek opvallend veel op een paard wat ze had gehad maar helaas aan een onbekende ziekte was gestorven. Ze drukte haar gezicht in haar warme vacht, ze rook zelfs naar haar paard!
“Dus Margaretha heeft al gekozen?” lachte Billy, “dan wil ik die middelste, dan mag Thomas de rechter.”
“Pardon?” onderbrak Georg hem, “en wij dan?” zei hij doelend op Gustaaf en zichzelf.
“Jullie wilden toch zo graag op die kar rijden? Nou, grijp je kans zou ik zeggen,” spotte Billy.
Georg, die gemerkt had dat hij zojuist met zijn eigen woorden was teruggepakt, ging zwijgend op de bok van de kar zitten.
“Vooruit dan maar,” zuchtte hij, hij kon toch niet weer tegen zijn eigen woorden ingaan?
Gustaaf sprong vlug naast hem op het bankje, waardoor Georg hem verbaast aankeek.
“Ik houd niet van paardrijden, ik kan het niet,” vertrouwde Gustaaf hem toe.
Toen iedereen goed zat, waren ze klaar om te vertrekken.
“Waar gaan we eigenlijk heen?” vroeg Margaretha nieuwsgierig, ze kende de buurt niet.
“Weg, iets van de wereld zien, vrij zijn,” zei Billy die naar de grote hemel boven hem staarde.
“Dat klinkt geweldig,” reageerde Margaretha, “gewoon even weg van alle ellendige mensen.”
“Zeur niet! Dat kan niet eens, overal zijn rotmensen, niemand is ooit vrij,” zei Thomas waarbij hij de mooie gedachtes van Billy en Margaretha weer deed vervagen.
“Alles kan, als je het maar hard genoeg wilt. We reizen gewoon de vrijheid in, als we steeds verdergaan laten we gewoon al de vervelende dingen achter ons, niets is voor eeuwig,” zei Gustaaf wijs.
“En nu dit bos uit,” zei Thomas die kennelijk genoeg had van alle hoopvolle praatjes, hij stapte met zijn paard weer terug naar het grote pad, op de voet gevolgd door de andere twee paarden.
“Dan halen ik en Gustaaf de kar wel op, blijf wachten aan de andere kant van het bos!” schreeuwde Georg hen, verontwaardigt omdat ze zomaar wegreden, achterna.
Margaretha reed dolgelukkig op haar paard het bos uit, het was veel te lang geleden dat ze gereden had. Maar toen ze nog maar een seconde in het zadel zat, had ze al weer geweten waarom ze er vroeger zo gek op was. Het was heerlijk!
“Daar moeten we wachten,” zei Thomas en hij wees in de richting van een paar bomen die wat minder dicht op elkaar stonden dan de andere. Toen ze de bomen dichter genaderd waren, zag ze pas dat het bos er over ging in een uitgestrekt heidelandschap.
“Wat mooi,”zei ze zachtjes. Billy keek blij naar haar om.
“Dat vind ik nou ook, het is hier prachtig,” zij hei verrukt. Margaretha knikte instemmend en keek door de paar bomen die er nog stonden naar het mooie landschap. Ze wilde dat ze nu gewoon alles kon vergeten, dat haar hele gedachtes uit dit landschap zouden bestaan. Dan zou ze een mooi leven hebben bedacht ze zich. Maar ook al was het nog zo mooi, steeds als ze echt gelukkig leek te worden hoorde ze de doodskreten in haar hoofd, en werd haar vrolijkheid overschaduwt door een zwarte wolk van angst. Ze rilde even.
“En nu?” Gustaaf onderbrak met de zin haar gedachtes.
“We reizen gewoon die kant op en zien wel waar we uitkomen, er zijn hier genoeg kleine plaatsjes om aan voedsel enzo te komen, we zien wel,” zij Billy luchtig. Hij wees in de richting van de heide, waarboven zich een rode lucht begon af te tekenen, de zon stond laag aan de hemel. Georg spoorde het karrenpaard aan en de groep kwam in beweging, op weg naar niets.

Hoofdstuk 7

“Wat was dat nou voor een legende?” vroeg Margaretha aan Thomas. De korte uitleg over het heksenpad spookte nog rond in haar hoofd.
“Dat zal ik je vertellen,” zei Thomas op samenzweerderige toon. Ondertussen kwam ook Billy dichterbij:
“Ik wil ook wel eens weten hoe dat verhaal precies gaat, als kind heb ik het einde nooit gehoord, dat vond ik te eng,” zei hij verlegen.
“Ssst!” siste Thomas. “Het zit namelijk zo: Vroeger, toen de aarde nog jong was, en Maagdenburg nog niet eens bestond, stond het bos er al wel. En dat heette niet het Maagdenburgse bos, zoals iedereen denkt. Nee, dit bos heeft tijdenlang ‘Het Spookbos’ geheten. En dat was het ook, een gruwelijk bos. Het bestond niet uit de vrolijke paadjes waarop mensen in de zomer een wandelingetje maakten. Je was wel gek als je dat deed, dan kon je er namelijk zeker van zijn dat je niet heelhuids terugkwam. De meeste kwamen niet eens terug,” zei Thomas met een duistere grijns op zijn gezicht. Om hem heem was het stil.
“Hier leefden namelijk de zeven heksen, tegenwoordig de zeven heksen van Maagdenburg genoemd. Deze zeven heksen waren door een samenhang van vreselijke omstandigheden ontstaan. Het was een onherstelbare fout van moeder natuur. Ze kwamen voort uit Yris, de godin van het kwaad. En ze waren niet uit liefde ontstaan, ze ontstonden door haat. Denk maar aan hoe kinderen geboren worden, door grote liefde voor iemand anders. Zo’n liefde is machtig en sterk. Maar bij Yris was het andersom, ze heeft het onmogelijke waar gemaakt. Door haar haat voor Osir, de god van het goede, ontstonden de zeven heksen. Met een woedende blik, die de zo grootst mogelijke haat uitstraalde, zette ze ze op aarde. Met als doel al het goede te vernietigen.En dat was ze bijna gelukt. De zeven kregen allemaal een andere taak: De liefde, het geluk, de vruchtbaarheid, de wijsheid, de vrede, de mooie dingen en de vriendelijkheid vernietigen. Stuk voor stuk werd iedereen op aarde een slecht mensen of dier. Zonder het door te hebben moorden ze elkaar uit. De hele wereld was een chaos van oorlog en geweld. En de zeven heksen zaten genietend in hun gruwelbos, de kern van het kwaad, alle restjes goedheid met hun goddelijke krachten te laten verdwijnen.” Thomas stopte even met vertellen en alle ogen staarden hem verwachtingsvol aan, hij genoot van zijn populariteit.
“Maar er was nog hoop. Er was een ding waar Yris geen rekening mee had gehouden; Het goede in de wereld verdwijnt niet zomaar. De mensen en dieren dragen altijd een kwaad en een goed deel bij zich, je karakter ligt aan welk deel en hoe sterk het overheerst. Met goddelijke krachten gebeurde er wel kwade dingen, maar alles had nog wat goedheid in zich. En dat moest terug gevonden worden. Maar Oris zat met de handen in zijn haar, iedereen leek wel aangetast door het kwaad, pas als er iemand besefte goed te zijn, kon hij het weer worden. Maar waar kon hij zo iemand vinden?” Na deze vraag keek Thomas weer om zich heen, de rest was aan het nadenken over zijn vraag. Ondanks zijn niet al te goede vertelkunsten, merkte Thomas dat het verhaal tot nog toe goed over was gekomen.
“Maar het goede trekt het goede aan en zo werd Oris’ aandacht al gauw naar een klein bosje midden in een open veld in Frankrijk getrokken. Daar zag hij vanuit de hemel een baby liggen, hij lag onschuldig te slapen tussen de blaadjes. Door deze baby zou het goede in de mens weer naar boven moeten komen, met zijn gedachten stuurde Oris een jongen die in het bos woonde op de baby af. Deze voelde zich plotseling heel aangetrokken tot die plek en liep er naartoe. Onderweg schopte hij met een kwade uitdrukking van alles en nog wat kapot, ook hier was het kwaad goed op te merken. Maar toen vond hij de baby, opeens stortte hij zich huilend op de grond. Hij omhelsde de baby en kon niets anders meer dan lachen, dat had hij hard gemist in de tijd van kwaadheid. Dolgelukkig liep de jongen met de baby in zijn handen terug naar zijn huis, waar zijn vader kwaad zat te wachten. De man raasde en tierde, totdat hij zijn zoon recht aankeek. Ook hij begon nu van puur geluk te lachen. Zo verspreidde via een enkele blik in iemands ogen het geluk zich weer over de aarde. Het bereikte zelfs ons Maagdenburgse bos wat er weer stralend bijlag. Behalve op het heksenpad, dat is de eeuwige afdruk van het vreselijke kwaad dat ooit bestaan heeft. Want toen de goedheid het bos bereikte, zijn de heksen spontaan verdwenen. Men beweert dat ze alleen nog maar in kwade tijden weer kunnen verschijnen.” Zo eindigde Thomas zijn lange verhaal. Hij nam lachend het applaus van zijn luisteraars in ontvangst. Naar aanleiding van Thomas´ verhaal begon nu ook Georg aan een legende die hij nog kende.
Zo reden ze door terwijl ze luisterden.

Toen later ook Gustaaf begon te vertellen, bleef Margaretha een stukje achter. Ze had even wat tijd voor zichzelf nodig. Ze staarde naar de lucht die nu helemaal rood was, het was een prachtig vergezicht. Ze keek zwijgend naar de zon die steeds verder onder ging. En hoe donkerder, hoe bezorgder ze werd over de toekomst. Ze had nog geen enkel klein plaatsje gezien waar Billy het over had gehad, ze reden al zeker meer dan een uur over de uitgestrekte heidevlakte.
Aan het applaus wat Gustaaf natuurlijk ook kreeg, merkte Margaretha dat zijn verhaal afgelopen was. Ze voegde zich vlug weer bij de groep.
“Waar moeten we nu overnachten?” vroeg ze bezorgd
“Ik denk hier ergens op de heide,” zei Georg onverschillig.
“Zitten hier dan geen giftige beesten ofzo?” vroeg Margaretha nu nog angstiger.
“Je bent ook niet veel gewend,” zei Billy, “je hoeft niet bang te zijn, het is maar een heideveld.” Margaretha lachte maar een beetje, ze moest zich niet zo aanstellen, dat wist ze ook wel. Zwijgzaam reed het vijftal nog een stukje door, totdat het zó schemerig was, dat de paarden de weg ook niet meer goed zagen. Thomas, die een tijdje voorop had gereden, stopte en steeg af. De rest volgde zijn voorbeeld.
“Eh,” stamelde Billy. Hij had blijkbaar ook nog niet veel ervaring met slapen op zo’n open vlakte. Gelukkig wist Gustaaf wel wat er moest gebeuren, hij haalde een paar grote kleden achter uit de oude kar en bond zijn paard aan een klein boompje wat het paard net de mogelijkheid benam om te ontsnappen .
“Slaap lekker,” bromde hij en rolde zich in één van de dekens. De rest bleef een tijdje verbouwereerd staan maar kwam uiteindelijk ook in actie. Na een paar minuten stonden alle paarden goed en lag iedereen tussen de dekens. Er daalde een serene rust over de heidevlakte die zo ruw verstoord was geweest. Op een zuchtje wind na was het vredig stil. De hele wereld leek te slapen.

Waar was iedereen? Ze hadden haar verlaten, iedereen was weg. Opnieuw stond ze er alleen voor. Langzaam zakte ze weg, de aarde leek haar op te zwelgen. Ze was niet meer belangrijk, het leven raasde langs haar voort. Ze bestond gewoon niet meer. Ze was alleen, en dat raakte haar diep in haar hart. Ze kon niks meer, ze deed niks meer, ze was niks meer.

Hoofdstuk 8

“Help!” De doodsbange stem van Thomas deed haar wakker schrikken. Met de droom nog in haar hoofd rende ze zijn richting in.
“Wat?” Thomas bleef doodstil staan en staarde alleen verschrikt in Margaretha’s ogen.
“Zeg dan wat!” Margaretha schudde hem door elkaar. Toen gleed haar blik pas naar het bloed wat onder zijn voeten lag, en de wond aan zijn been waar het vandaan kwam.
“Oh,” stamelde ze verschrokken. Ze knielde bij zijn been om de wond goed te bekijken. Het bloed vloeide er nog steeds uit, snel rende ze naar de plek waar ze geslapen had. Ze pakte een deken en probeerde hem aan stukken te scheuren. Met al haar kracht trok ze aan beide kanten. Angstig trok ze steeds harder aan het doek, maar toen ze haar laatste kracht had gegeven, zat het nog steeds stevig aan elkaar vast. Thomas bloedde dood en ze kon geen hulp bieden! In paniek trok ze toen maar haar bloes uit, in haar hemd rende ze weer naar Thomas toe, die ondertussen op de grond lag. Behendig verbond ze zijn been en keek toen Thomas aan.
“Help,” zei Thomas nog en hij viel weer terug in het zand, zijn ogen gesloten.
Margaretha gaf hem paniekerig wat zachte klapjes tegen zijn wang, hij moest wakker worden! Het was levensgevaarlijk als hij flauwviel, dat had ze wel gemerkt bij andere gewonden.
“word wakker!” Thomas opende zijn ogen weer en Margaretha begon direct tegen hem te praten:
“Blijf praten. Wat is er gebeurd?” zei ze met zachte, maar dwingende stem.
“Ik, Georg, wolven, hulp, bij de bosjes, Georg,” stamelde Thomas en hij sloot zijn ogen weer.
“Wat is er? Hebben de wolven Georg ook aangevallen? Waar is hij waar is de rest?” riep Margaretha bang naar hem.
“Bij meertje, wassen, Georg,” zei Thomas weer wat luider, nog steeds met gesloten ogen.
Margaretha twijfelde, eigenlijk zou ze bij Thomas moeten blijven, maar de jongens hadden waarschijnlijk geen idee wat ze moesten doen. Margaretha was de enige met ervaring in de geneeskunst. Ze maakt een hoopje van zand voor Thomas’ hoofd en besloot toen naar het meertje te gaan.
Alsjeblieft, blijf leven, smeekte ze in gedachten.

Ze rende naar de plek waar het meertje moest zijn, daar waar ook de bomen groeiden.
Vanuit de verte zag ze het water al glinsteren, en dat deed haar nog harder rennen.
“Jongens?” vroeg ze wanhopig, maar er kwam geen reactie.
“Jongens?” vroeg ze ditmaal wat harder. Ze meende een vaag geluid te horen vanaf de overkant van het meertje en liep er wankelend langs de rand heen.
“Waar zijn jullie?” riep ze in de richting van het eerdere geluid.
“Hier, help!” Daarin herkende ze de stem van Billy, met een paar passen had ze de plek bereikt.
“Jemig!” riep ze uit. Georg lag stil op de grond, hij was ook in zijn benen gebeten, maar bij hem was zijn hele rechterbeen opengehaald.
“Au!” kermde hij opeens. Hij greep naar zijn been, waardoor zijn hand ook onder het bloed kwam te zitten. Billy keek verschrikt Margaretha’s kant op en Gustaaf zat druk zijn shirt aan stukken te scheuren.
“Geef maar,” zei Margaretha snel. Het was nu de noodzaak dat Georg zo snel mogelijk verbonden werd. Ze bond meteen de lappen stof om zijn been, het belangrijkste was nu om het bloeden te stoppen, de hygiëne kwam later wel. Maar de stof was alweer doordrenkt met bloed toen het eenmaal goed zat, Margaretha keek in paniek rond. Als er een slagader was geraakt, kon zijn hele been verloren zijn. Nu moest ze in de eerste plaats proberen de wond bij elkaar te houden en te hopen dat het uit zichzelf stolde.
“Billy, geef me je riem,” beval ze plotseling. Billy keek wat verbouwereerd, maar deed toch snel zijn riem af. Margaretha bond hem stevig, maar niet te strak om Georgs been, waardoor de wond weer bij elkaar zat.
“Hij moet wakker blijven, we hebben water nodig!” schreeuwde Margaretha tegen Gustaaf, deze sprong op en rende naar het meertje. Ondertussen probeerden Billy en Margaretha Georg wakker te houden door over de onzinnigste dingen te kletsen. Al snel kwam Gustaaf terug, hij had slim zijn beide schoenen gevuld met water, dat liep er niet uit.
Gustaaf goot langzaam wat water in het gezicht van Georg, die weer was flauwgevallen.
“Word wakker,” fluisterde Billy angstig, “waar is Thomas trouwens?”
Margaretha herinnerde zich zijn broer nu ook weer.
“Onze slaapplek, ga jij even kijken?” vroeg Margaretha aan Billy, hij was halverwege de vraag al opgesprongen en rende gauw naar zijn broer.
“Au!” Georg was weer wakker.
“Gaat het?” vroegen Gustaaf en Margaretha tegelijkertijd bezorgd aan hem.
“Ja hoor,” zei hij moeizaam en hij probeerde op te staan. Hij bleef even wankelend staan en zakte weer ineen.
“Steun maar op ons,” bood Gustaaf aan. Hij en Margaretha gingen ieder aan een kant staan en sleepten hem zo moeizaam terug naar de slaapplek.

Billy huilde op Thomas schouders, de rest keek er verbaasd naar. Billy gaf zijn gevoelens meestal niet zo weer, alleen in zijn liedjes.
“Ik dacht dat je dood ging,” snikte hij en hij omhelsde Thomas nog steviger.
“Dwaas, ik blijf voor altijd bij je hoor,” zei Thomas geruststellend. Vertederd keek Margaretha naar de broertjes, eindelijk deden ze een keer aardig. Dit was nou die typische broederliefde, bedacht ze zich.
“Ik dacht echt dat ik je kwijt was,” zei Billy snikkend. Hij leek toen pas de rest op te merken.
“Sorry,” zei hij beschaamd en hij veegde zijn tranen weg alsof ze nooit bestaan hadden.
“We moeten een echte dokter vinden, dit gaat geheid ontsteken,” zei Margaretha om van onderwerp te veranderen.
“Maar eerst wil ik wel weten wat er is gebeurd,” zei Gustaaf die naast Thomas en Georg, die ook was gaan zitten, in het zand plofte. Georg was er weer helemaal bij en begon te vertellen:
“Thomas en ik wilden ons net een beetje gaan opfrissen in dat meertje, jullie sliepen nog,” zei Georg met een hoofdknik naar Gustaaf, Billy en Margaretha.
“Maar toen we daar aankwamen sloop er opeens een magere grijze wolf op ons af,” vertelde Thomas verder.
“Het was echt heel eng, ze keek zo bloeddorstig, ik wist zeker dat ik dood zou gaan,” zei Georg voordat Thomas verder kon gaan.
“Maar dat was dus niet zo. En Georg schreeuwde dus om hulp, de sukkel. Toen viel die wolf of wolvin hem aan,” vertelde Thomas.
“En dat deed pijn!” riep Georg uit, wijzend op zijn been.
“Maar ik duwde dat beest dus van hem af, waardoor hij of zij mij aanviel. Maar toen kwamen Gustaaf en Billy er, gelukkig al gealarmeerd door Georg, aan.”
“En toen rende die wolf of wolvin weg en ging Thomas in paniek hulp halen ofzo,” zei Gustaaf verstrooid.
“Zoiets ja,” zuchtte Thomas.
“Kom op, we laden die twee in de kar en vertrekken,” zei Billy ongeduldig, hij was weer zijn oude zelf. Gustaaf sprong blij op, nu had hij ook een paard!
Na een tijdje waren ze weer op weg, rijdend over de saaie vlakte.

Hoofdstuk 9

Na een paar uren, vol gesprekken en verhalen, kwam er eindelijk een dorpje in zicht.
Blij reden de vijf nu sneller door. Na een tijdje kwamen ze op een goed zandpad terecht en reden het dorp binnen. Margaretha verbaasde zich dat er geen muren stonden, blijkbaar waren hier geen strenge vijanden.
“We moeten een centrum of zoiets hebben, daar zit vast wel een dokter,” zei Billy die zoekend om zich heen keek. Hij nam de leiding en reed door over de weg waar ze vandaan kwamen. Uiteindelijk kwamen ze op een gezellig plein terecht, met een aantal marktkraampjes.
“Gevonden,” zei Billy blij.
“En daar is zelfs een dokter, toeval,” zei Thomas die met zijn vinger naar de overkant wees.
Thomas stuurde zijn kar in de richting van het nette doktershuis, hij drukte zenuwachtig op de bel terwijl Georg door Gustaaf van de bok af werd geholpen.
“Hallo meneer,” zei een oude man die plotseling de deur had geopend.
“Eh, hallo,” stamelde Thomas verschrikt.
“Waar komen jullie voor? Kom maar binnen hoor,” zei de man en met ietwat gekromde rug liep hij zijn huis weer binnen. De rest volgde aarzelend.
“Nou ziet u, we zijn aangevallen door een wolf,” zei Georg en hij liet zijn gewonde been zien.
“Oh,” zei de man die waarschijnlijk de dokter was, “dat moet geamputeerd, hier kan ik niks mee.”
“Pardón?” Georg viel verschrikt achterover en werd gelukkig door Gustaaf opgevangen. “Ik wil mijn been niet kwijt!” Er stonden tranen in zijn ogen. “Dat kan toch niet, je kan toch niet leven zonder been. Ik laat het er echt niet afzagen. Punt,” zei hij geschrokken.
“Anders gaat het zweren en rot het weg, het is je eigen keuze,” zei de man koel, alsof het net zo normaal was als kiezen tussen twee kledingstukken. “Je liegt!” schreeuwde Georg paniekerig.”Ik wens met ‘u’ aangesproken te worden en lieg nooit,” zei de man weer net zo koelbloedig.
“Dit kan niet,” stamelde Billy.
“Jawel, maar dan moet je naar de chirurgijn,” zei de dokter, “die zaagt het er wel even af.”
Op dat moment zakte Georg in elkaar, door paniek of pijn, het zag er in ieder geval eng uit.
“Wij komen hier nooit meer terug,” zei Thomas tegen de man om ook maar wat toe te voegen.
Gustaaf en Billy droegen Georg, die alweer langzaam bijkwam, naar buiten. Thomas trok de deur met een harde klap achter zich dicht en ze stonden weer buiten.
“En nu?” Margaretha keek besluiteloos om haar heen.
“Laten we naar die chirurgijn gaan, misschien weet hij een oplossing,” zei Billy toen.
“En waar zou die moeten zijn? Dat heeft die man ons niet verteld,” zuchtte Gustaaf.
“Kijk eens achter je, het is het huis naast de dokter, dat is haast altijd zo,” legde Billy uit.
“Oh,” stamelde Gustaaf en hij draaide zich om. “Inderdaad.”
Opnieuw belde Thomas aan, dit keer werd er door een jongere en normalere man open gedaan.
“Hallo! Wat is het probleem heren? Kom er in.” De jongens stapten nu wat opgeluchter over de drempel en legde uit wat er met Georg was gebeurd.
“Dat is niet zo fijn. De dokter had helaas gelijk, het moet hier in Duitsland geamputeerd worden.”
“Nee!” schreeuwde Georg in paniek.
“Rustig,” de man legde zijn hand op Georgs schouder. “Ik had het over Duitsland. Maar in Frankrijk bestaat betere geneeskunst, daar kunnen ze zo’n open wond genezen.”
“Dank u,” met deze woorden zuchtte Georg al zijn angst er weer uit.
“Maar ik kan dit en die andere wond wel wat beter verbinden, ik denk dat je het dan wel red naar Frankrijk, ik zag dat jullie een kar hadden? Want paardrijden gaat niet lukken,” zei de chirurgijn terwijl hij in wat laatjes begon te rommelen.
“Kan je je broek even uitdoen?” Georg keek moeilijk om zich heen.
“Oh,” zei de chirurgijn begrijpend. “Willen de drie heren en de dame zich dan even naar de kamer hiernaast begeven?” Deze verdwenen zo snel ze konden achter de deur.
“Gelukkig,” zuchtte Thomas terwijl hij zich tegen de deur liet zakken.
“Zeg dat wel,” antwoordde Billy, “Ik kan me Georg niet voorstellen zonder been. Eerlijk gezegd wil ik er niet eens aan denken, we mogen blij zijn dat het goed is gekomen.”
Een tijdje later opende Georg de deur, waardoor Thomas bijna viel. Hij herstelde zich gauw en liep toen ook naar binnen om zich te laten verbinden. Een tijdje later kwam hij er een stuk minder strompelend uit.
“Op naar Frankrijk!” riep Georg blij.
“Prachtig land,” zuchtte Billy.
Het vijftal bedankte de chirurgijn die niet eens geld vroeg hartelijk en ze liepen weer naar buiten.
“Hoe komen we in hemelsnaam in Frankrijk?” vroeg Margaretha verschrokken.
“Richting het zuiden,” antwoordde Georg nonchalant, “daar zijn we toch al de hele tijd heengereden.”
“Laten we dan eerst veel eten en zo inkopen, misschien komen we niet veel plaatsjes meer tegen,” zei Margaretha.

Toen er ongeveer een uur verstreken was, waren ze helemaal klaar om weg te gaan, de kar zat nu helemaal vol met handige spullen en de geldbuidels waren een stuk lichter.
“En nu echt op naar Frankrijk!” zei Georg voor de tweede keer.
En ze gingen weg. Het pad uit het dorp liep nog heel lang door en deze volgden ze.
De weg mondde na lange tijd uit in een graslandschap, wat later door heuvels bedekt werd.
Het vijftal reed dagenlang door veel verschillende landschappen, ondertussen vroegen ze aan iedere voorbijganger de goede weg. De weg naar Frankrijk. De weg naar een nieuwe toekomst. Goed of slecht.

Hoofdstuk 10

“Waar zijn we in hemelsnaam?” vroeg Thomas. Ze waren al een dag of acht onderweg en niemand had meer de puf voor iets gezelligs.
“Ik hoop in de buurt van Frankrijk,” antwoordde Margaretha hoopvol.
“Hé! Dat daarachter lijkt wel een stad of zoiets,” zei Billy die met zijn vinger naar wat stipjes tussen de groene waas van het gras wees.
“Dat kan,” antwoordde Gustaaf loom.

En ze reden weer zwijgend door, naar de stipjes wat inderdaad een plaatsje bleek te zijn.
“Oké, je had wel gelijk,” zei Gustaaf toen het overduidelijk was dat het een stadje of dorp moest zijn. Voor de het plaatsje stond een groepje mannen met elkaar te kletsen, Thomas stuurde zijn paard eropaf om de weg te vragen.
Margaretha volgde hem met haar ogen en zag hem even later verbaasd terugkomen.
“Die mensen spreken geen Duits!” riep hij verbaasd uit. “Ik geloof dat we zowaar al in Frankrijk zijn.”
Dit keer stuurde ook Billy zijn paard op het groepje af en begon een gesprek. Even later kwam hij wel met interessant nieuws terug:
“Dit is een dorpje vlak aan de Franse grens, maar er wonen ook Duitse mensen, zei die man.”
Thomas staarde hem verbaasd aan. “Sinds wanneer kan jij Fráns spreken?”
“Sinds ik een Franse vriend heb,” zei Billy doodgewoon. “Dat weet je toch?”
”Nu wel, dat kan handig zijn,” antwoordde Thomas.
“Jongens, we zijn in Frankrijk,” zei Georg blij. “We zijn er gewoon!”
Door de blije reactie van Georg besefte de rest het ook en kwamen ze in beweging.
“Wacht! Wat moeten we hier? We hebben niet eens geld,” zei Margaretha waardoor de blije stemming meteen was verdwenen. Teleurgesteld bleven ze staan. De jongens zaten stil na te denken over een oplossing.
“Zeg mensen, kunnen jullie een beetje acteren?” vroeg Billy. Iedereen knikte instemmend.
“Dan heb ik de oplossing! Zien jullie dat kasteel daar?” De rest volgde Billy’s vinger.
“Dan gebruiken we een list. We doen alsof ik een neef ben van degene die daar woont. Met wat zielige verhaaltjes komen we daar zo binnen.”
“Billy! Daarvoor word je opgepakt,” zei Gustaaf geschrokken.
“Alleen als ze ons ontdekken, en als dat gebeurd zijn we allang weg. Ik kwam mijn oom en tante opzoeken en heb wat Duitse vrienden die hun huis zijn kwijt geraakt meegenomen, een familielid moeten ze wel helpen en jullie zijn dus ook vrienden. Het moet wel; anders kunnen we Georgs been ook nooit laten genezen,” legde Billy snel uit. Door het laatste argument werd iedereen overgehaald.
“We doen het!” zei Thomas.
“Oké, eh, ik ga voorop,” zei Billy die toch wel aarzelde nu het zo snel was gegaan.
Ze reden de stad binnen, over een grote straat naar het kasteeltje. Daar aangekomen werden ze door een paar voorbijgangers vreemd aangekeken. Maar Billy trok zich er niets van aan en liep het kleine trapje voor de deur op.
“Dit zijn dus meneer en mevrouw Litzburger, dan ben ik vanaf nu Billy Litzburger,” zei Billy toen hij een naamplaatje naast de deur zag staan. Hij belde met een trillende hand aan en deed weer een stapje achteruit. Al snel deed er een meisje open, ze had werkkleding aan en was dus waarschijnlijk een dienstmeisje.
“Bonjour,” begon Billy, hij legde in het Frans zijn hele verzonnen verhaal af, het meisje keek met de minuut verbaasder. Aan het eind van het verhaal riep ze gauw naar ‘madame’, mevrouw Litzburger waarschijnlijk. Het meisje vertelde in razendsnel Frans wat Billy net ook al had verteld. Mevrouw Litzburger keek hem even geschokt aan en omhelsde hem toen stevig. Er kwamen tranen uit haar ogen, Billy keek wat overrompeld, net zoals de andere vier.
“Oh, kom binnen, kom binnen,” zei mevrouw Litzburger in het Duits met gelukkige stem. “Eindelijk heb ik je dan gevonden. Ik wist altijd al ergens dat mijn man nog een neef moest heben. Wat is je naam?” ratelde ze.
“Billy Kau, ik bedoel Litzburger,” zei Billy terwijl hij rood werd door zijn fout.
“Oh, jullie zien er afgepeigerd uit, ga maar eerst lekker slapen, kamers genoeg, wij zorgen voor de paarden,” ratelde mevrouw Litzburger verder.
Opeens stopte ze, ze staarde afkeurend naar Georgs been;
“Wat is er aan de hand?” vroeg ze met een gilletje.
“Ik ben aangevallen, daarom gingen we, ging Billy naar Frankrijk. Hier zouden ze me moeten kunnen helpen.”
“Jazeker, ik bel meteen de chirurgijn. Och jeetje, jij ook al?” vroeg ze aan Thomas, die nu ook met zijn gewonde been in beeld kwam.
“Tja,” zei Thomas.
“Oké, jullie mogen wel even rusten en opfrissen, deze twee moeten eerst geholpen worden. Oh, Billy, ik ben zo blij dat ik iets voor je kan doen!”
Het drietal liet dat zich geen twee keer zeggen en ze werden door het dienstmeisje naar boven geleid. Daar aangekomen kregen ze tijd voor zichzelf.
“Wow, dat ging wel heel erg goed,” zuchtte Billy opgelucht.
“Echt wel, Billy Litzburger!” lachte Margaretha.
“Ik weet niet hoor, maar ik ga slapen,” zei Gustaaf geeuwend, hij koos een deur en liep de erachter liggende slaapkamer binnen.
“Welterusten,” zei Margaretha, en ze liep een andere kamer binnen en liet zich op het zachte bed vallen, waar ze meteen in slaap viel.
Kon het leven maar altijd zo goed zijn.

Terug | Auteur: Tigerlily